De Bossen van Vlaanderentrail

Zaterdag gingen Jan-Willem, Leonie en ik op verplaatsing naar Aalter voor de Bossen van Vlaanderentrail. Ik had wel goesting in de 47 koerskilometers. Het was in de voormiddag al schoon weer, weliswaar een pietelijklein beetje dompig, maar weinig winderig.

Door de corona zat vooraf gezellig klappen met een tas koffie er niet in. Het was omkleden bij de voiture, een beetje koukleumen en vertrekken vanaf het plein. Het was de afgelopen week droog, het parkoers lag er meestentijds schoon bij, maar mieljaar, wat lag er zo hier en daar toch nog veel slik! Al na 5 kilometer zag ik een kwistenbiebel die uitgleed en vol op zijn plaat ging. Niet veel verder had crapuul een bordje verhangen, waardoor een groot deel van mijn voorgangers verloren liep. Amai en nondeju! Liep deze ouwe zot zomaar verschietelijk in de topvijf! Wat was ik fier!

Lang duurde dat niet. Subiet kreeg ik een klopke en moest ik de rol lossen. Bij de bevoorrading hielpen stukjes speculoos en appelsien en wat plat water me er weer bovenop. Het was heerlijk dieselen door de Vlaamse bossen met zo hier stukjes kassei of makkadam.

Zo, en laten we nu maar stoppen met dat geforceerde Vlaamse gelul door een kaaskop, want die kan er toch niks van. Na die inzinking dacht ik dat ik lekker opschoot. Een groepje onderwijzers dat al rennend een skireis in de paasvakantie aan het plannen was, nam me op sleeptouw. We haalden de ene na de andere trailer in. Tot mijn grote verbazing moesten zij opeens gaan wandelen en stond ik er alleen voor. Maar ik bleek zonder het zelf te weten nog een troefkaart in mijn mouw te hebben.

Toen ik ’s morgens voor het vertrek mijn Hoka Speadgoats wilde aantrekken, bleek dat niet te lukken. Na de Bello Gallico had ik ze te drogen gezet op de verwarming en daardoor waren ze wat gekrompen. Omdat Leonie en Jan Willem op me wachtten, trok ik snel een ander paar schoenen uit de kast: de Race Ultra van Inov8, minstens tien jaar oud. Lichtgewicht schoenen met weinig demping, maar wel met heel veel profiel. Wat een grip! Waar anderen door de modder glibberden en gleden, ging ik als een olietanker recht door zee. Heerlijk was dat. Na afloop was het even minder, want toen voelde ik door het gebrek aan demping mijn kuiten veel meer dan anders.

Na iets meer dan 5 uur rennen kreeg ik van organisator Joeri Schepers een fraaie, handgemaakte houten medaille omgehangen. Dat voelde goed. Lekker gelopen vond ik, en bijna even snel (of langzaam) als drie jaar geleden. Even verderop stond Leonie, omgekleed en al. Ze bleek al vijf kwartier binnen te zijn. Als eerste vrouw en zevende overall. Ik gunde het haar van harte, maar het zette mijn eigen prestatie wel behoorlijk in perspectief. Die kan misschien nog wel wat beter. Pleister op de wonde: Jan Willem deed er nog iets langer over dan ik.

Na afloop geen douches, geen gezellige nazit in de kantine, geen prijsuitreiking. Maar een kniesoor die daar op let. We moeten blij zijn dat we van die gastvrije zuiderburen hebben. Anders hadden we de laatste maanden niet eens van die half-plezante hardloopdagen mee kunnen maken. Dank mannen en vrouwen van Marathons and More! Zeker en vast.

En dan nog een poging tot slotwoord: Thuis heb ik de schoenen uit mijn valies gehaald en ze gekuist. Ze zijn weer proper!

runners high

de voorbereiding op de wedstrijd was klaar

alle trainingen waren prima verlopen

en mijn motivatie was groot

net als mijn zelfvertrouwen

het moest nu echt gaan gebeuren

de wedstrijd was hard

mijn tegenstanders waren genadeloos

de minuten duurden en duurden maar

de tijd werd steeds groter

ik zat wel in de goede bus

maar het was moeilijk

ondanks de enorme belasting van het lichaam

kwam er een zekere rust in mijn systeem

het werd onwezenlijk licht in mijn hoofd

ondanks alle atleten om me heen

betrad ik het labyrint van de eenzaamheid

mijn passen raakten het asfalt niet meer

ik ontsnapte aan de zwaartekracht van het bestaan

het euforisch gevoel was overweldigend

tijd en ruimte voegden zich samen

het leek wel of ik oneindig kon doorgaan

zo ging het dus

de speaker bij de finish

bracht me weer bij bewustzijn

het was afgelopen

het was een soort ontwaken

ik stapte met een zekere tegenzin

terug in de harde werkelijkheid van alle dag

pieter

12 januari 2022

De Bello Gallico

Vanmorgen ontving ik een appje van mijn neef Martijn. ‘Hoe is het met het karkas?’, was zijn vraag. Ik voelde eens aan mijn benen, kneep in mijn buik en dacht dat ‘karkas’ helemaal niet zo’n slecht gekozen woord was. Al vind ik bij nadere beschouwing dat het woord ‘kadaver’ nog iets mooier was geweest.

Martijn en ik liepen zondag de Bello Gallico, een trail in de buurt van Leuven. We hadden er allebei heel veel zin in. Anderhalf jaar geleden deden we mee aan de Great Escape, een andere trail van de Legendstrail-organisatie. Die beviel uitstekend en deze zou een stukje minder zwaar zijn. Enkele feiten op een rijtje: 50 engelse mijl (80 kilometer), start om 0.00 uur ’s nachts in Oud-Heverlee, 1250 hoogtemeters, 16 uur tijd om te finishen, drie verzorgingsposten, mooi parkoers, geweldige organisatie.

Uit het intro zal je al begrijpen dat het wat die zwaarte betreft wel meeviel. Of beter gezegd: tegenviel. Na de marathon van Santa Cruz, Olne-Spa-Olne en een griepje was het een zware bevalling. De Bello Gallico had weliswaar heel veel hoogtemeters minder dan de Great Escape maar wel heel veel meer modder. Wat een beproeving was dat. Wat een gebagger door de mist en de koude nacht. Maar ook, wat een fantastisch avontuur!

Voor de zekerheid gooide ik zaterdagavond voor vertrek een slaapzak en een kussen achterin de auto. Mocht het lijf er geen zin in hebben dan kon ik altijd nog op mijn schreden terugkeren en een dutje achterin de auto doen. In afwachting van de terugkeer van Martijn. Aanvankelijk was mijn lijf niet van plan enige medewerking te verlenen. Een automonteur zou zeker even het oliepeil gecontroleerd hebben. Toch heb ik tijdens geen enkele stap van de 80 kilometer nog aan die slaapzak gedacht. Trailen is geen simpel uitstapje van a naar b. Achter elke boom kan een man met een hamer verstopt zitten, achter elke bocht een afgrond. Na elke hartslag kan je maag van streek raken.

Juist dit soort dingen maakt trailen zo mooi, zo avontuurlijk. Trailen betekent vaak tempo inleveren, rust nemen, even zitten, nog even iets langer even blijven zitten, een beetje pijn lijden. Geen haast hebben dus, geduld hebben. Maar wél doorgaan en de mooie dingen zien in allerlei ‘lelijkheid’. En accepteren dat je iets later zult arriveren. Maar heel soms moet je constateren dat het echt niet verder gaat. Zoals Leonie bijvoorbeeld, die zaterdagavond na 130 kilometer van de 100 mijl (die was er ook!) constateerde dat de pijp volledig leeg was en voor het eerst in haar rijkgevulde carrière dnf achter haar naam kreeg.

Na het appje stuurde Martijn ook nog een filmpje dat het gebagger fraai illustreert. Het is gemaakt na een kilometer of 15. Op een smal paadje. Of was het gewoon een riviertje? Links en rechts prikkeldraad annex schrikdraad. Dat vastpakken was dus om verschillende reden geen optie. Het paadje stond niet op zich. Dit was meer een parkoers voor pottenbakkers! Zeker de eerste 40 kilometers. Zo stond na 33 kilometer een stukje langs het riviertje de Deile op het programma. Eerst lag er een vlonder. De tijd had er echter nogal veel greep op gekregen. Er ontbrak af en toe toe een stukje plank, daarna soms een hele plank en uiteindelijk – je raadt het al – was de hele vlonder verdwenen. En dat een paar honderd meter aan een stuk.

Neef Martijn

Tot mijn grote geluk trof ik halverwege, bij post 2, Martijn. Ik was bang dat hij bij de finish uren op me zou moeten wachten omdat ik niet erg opschoot. Gelukkig was dat niet zo. Het gaf me de rust om het tweede deel wat rustiger ‘af te werken’. En dat was maar goed ook, want het energieniveau daalde zienderogen. De mist bleef, net als de modder. Door de duisternis ploegde een eenzaam ventje, kilometers helemaal alleen. Maar in de duisternis hoorde hij uilen roepen, zag hij een paar keer een vos wegschieten en kreeg hij mooie gedachten.

Toch was de finish een van de hoogtepunten van de dag. Na 11 uur en 29 minuten werd ik in zaal de Roosenberg in Oud-Heverlee onthaald op een warm applaus van mijn al gefinishte collega-lopers en de vrijwilligers. Dat voelde als een warm bad. Op het toneel kreeg ik een immense medaille omgehangen en werd ik hartelijk gefeliciteerd door enkele mensen van de organisatie. En daarna bood een aardige dame me een bord chili aan, naar wens met of zonder carne. En zo’n heerlijk Kerel-biertje.

Ja, dat moet toch nog even worden gemeld. Legends Trail slaagt er elke keer weer in om midden in de nacht de alleraardigste mensen op de been te krijgen om een stel ‘randdebielen’ in de watten te leggen. Enorm bedankt daarvoor. Onderweg dronk ik heerlijke koppen hete koffie, at ik lekkere minestronesoep, croque-monsieurs, wraps, suikerkoeken, chocolade en wat al niet meer. De vijf gelletjes die ik van huis meenam heb ik zojuist weer terug in de doos gedaan. Niet nodig.

En nu zit ik hier achter mijn laptop. Een kadaver, een zak rammelende botten, met een zeer gevoelige, uitgeputte massa daaromheen. En dat terwijl de Bello Gallico in 2019 nog veel modderiger moet ziijn geweest! Dat hardlopen met vrienden er door de lockdown even niet inzit, zal me worst wezen. Dit kadaver heeft een poosje rust nodig en wil nog even nagenieten van die prachtige Bello Gallico.

Olne-Spa-Olne

Ik hou van avontuur, maar betrap me er steeds vaker op dat ik in herhaling val. Veel dingen om me heen veranderen en ik wil graag nog wat van vroeger behouden. Oude dingen die niet voorbij gaan geven immers nog een beetje zekerheid. Daarom stond ik zondag al voor de achtste keer aan de start van Olne-Spa-Olne, een trail over 70 kilometer in de Ardennen. Het parkoers kan ik inmiddels dromen en dat is wel fijn bij zo’n zware wedstrijd. Omdat je weet wat er gaat komen, sta je mentaal wat sterker in je schoenen.

Maar helaas, ook Olne-Spa-Olne blijkt mee te moeten in de vaart der volkeren. Het parkoers van de trail-klassieker der lage landen was bij zijn 25e editie heftig vertimmerd en was er bepaald niet makkelijker op geworden. Vroeger was Olne-Spa-Olne een trail met veel klimmen en dalen, maar zelden met echt steile heuvels. Dat was nu helemaal anders. Het werd voor mij daarom niet alleen fysiek een zware strijd maar ook mentaal. Na 16 kilometer, bij de eerste drankpost, had ik het eigenlijk al helemaal gehad en dacht er sterk aan om op het gemakje terug naar Olne te wandelen. Maar ja, Leonie was er ook bij en die liep amper 2 maanden geleden nog gewoon de 246 kilometer van de Spartathlon. Dan ga je niet na 16 kilometer zeggen dat het wel mooi geweest is.

Natuurlijk had er een lampje moeten gaan branden toen ik bij de start hoorde dat het parkoers 2500 hoogtemeters kende. Dat was veel meer dan vroeger. Maar ja, het was nog vroeg, ik dacht er niet goed over na en stond gezellig nog even slap te lullen met Leonie en mijn neef Martijn, die in Olne debuteerde. De eerste vijf kilometers merkte ik alleen dat ik geen topdag had, daarna werd alles anders. Op het plein van het lieflijke dorpje Floret ging het niet links- maar rechtsaf en doken we de diepste dalen in en moesten we de hoogste heuvels op.

De dagen ervoor had het in de streek nogal heftig geregend en gesneeuwd, waardoor de modder soms met gezwinde spoed je schoenen inliep. Leuk, heroïsch en avontuurlijk allemaal, maar als je na 10 kilometer baggeren beseft dat je er nog 60 moet, kijk je er toch iets anders tegen aan. Na de eerste drankpost kregen we gelukkig een veel makkelijker en herkenbaarder stuk gepresenteerd. Ook nu was er modder – de sneeuw was gelukkig gesmolten – maar je kon tenminste lekker doorkachelen. Het was genieten van die heerlijk lange afdalingen, waar je tempo kon maken en toch uitrusten en van de klimmetjes waarop je dribbelend naar boven kon.

Voor Spa komt er dan een lastig stuk, maar daarop was ik voorbereid. Gelukkig had de tweede drankpost, na 32 kilometer bij Spa, wel aan zijn tradities vastgehouden. Een vrijwilliger kookt daar jaarlijks enorme pannen rijst in melk en roert er wat vanille en suiker (of vanillesuiker?) door. Ik vind het heerlijk en kan er dan de komende kilometers meestal wel even tegen. Ook in dit geval, maar een kilometer of 10 verder, stond er weer een man met een hamer. Tot mijn onuitsprekelijke geluk gingen daar vlak voor mijn neus de spoorbomen naar beneden en nam ik juichend plaats op de rand van de stoep. De trein deed er lekker lang over, waarna de klim naar het kasteel van Theux wachtte.

Daar hadden ze ook heerlijke bankjes en ik wist dat er een kilometer of 4 verderop weer wat bankjes op me wachtten. Dat was na 48 kilometer in Onneux, bij drankpost numero 3. De vorige keer nam ik daar een bakje soep en dat bleek een verkeerde keus. Lang tot na de finish proefde ik toen de weeë smaak van iets was ze potage de legumes noemden. Waarom ik dit keer voor een broodje worst koos, ik heb geen idee. Het zal wel iets met vermoeidheid te maken hebben gehad. Ooit at ik tijdens een trail in Drente een broodje knakworst is dat is me toen bijzonder slecht bevallen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Gelukkig ging het nu beter en als klap op de vuurpijl had de organisatie een lastig stuk naar Pepinster omgeruild voor een vriendelijk, goed te belopen pad. Dat gaf de burger moed. In Pepinster kon je voor het eerst de enorme gevolgen van de overstromingen deze zomer goed zien. We liepen over een gloednieuwe brug omdat de oude weggespoeld was en vele huizen waren nog onbewoonbaar. Een paar dorpen verder was het nog erger. Daar was een doorgaande weg nog steeds afgezet omdat een deel was weggespoeld en waren nagenoeg alle huizen onbewoonbaar verklaard. Er was, nota bene op zondagmiddag, één mannetje met een sjofel puin aan het verplaatsen, maar veel leek er in de tussentijd nog niet gerepareerd of opgeruimd.

Na die lange vlakke lege weg dacht ik dat met twee klimmetjes drankpost nummer 4 bereikt zou worden. Maar ook nu bleek alles anders. Het was inmiddels donker, het hoofdlampje ging op en er kwam nog een echt lastige klim bij door een donker bos. Aan het eind van dat pad keken twee ogen mij spiedend aan. Wat was dat? Een hert? Een wolf? Het bleek een hond die wat afstand genomen had van zijn baas. Drankpost 4 was bovenop de heuvel en waar ik al voor vreesde, kwam uit. We moesten via een ander paadje weer naar beneden en kwamen zo uit op de plek waar vroeger drankpost 4 was. Een smerige omweg voor niet meer dan een tucje en een halve liter cola.

Inmiddels was ik echt wel een beetje gekookt, met de wetenschap dat er nog twee lange, steile klimmen wachtten. Daarbij begon het ook nog eens te sneeuwen en zat er weinig meer op dan heel voorzichtig verder te gaan. Met die sneeuw in je hoofdlamp en de druppels op je bril blijft het uitzicht op het pad voor je tot een minimum beperkt. Eindelijk, ruim een uur later en zeven kilometer verderop, wachtten in de plaatselijke sporthal de warme lasagna en een ijskoud biertje, heel attent voor me op tafel gezet door Leonie en Martijn. Ook zij zagen naar mijn idee nog wat pips om de neus van de vele inspanningen, maar hadden tijd genoeg gehad om weer een beetje op adem te komen.

Leonie was al bijna 3 uur eerder binnen, Martijn bijna 2 uur. Vanzelfsprekend stonden zij aanmerkelijk hoger op de ranglijst. Leonie werd in 7.24.13 36e en eerste Nederlander, 2e vrouw en 1e in haar leeftijdscategorie. Martijn finishte in 8,26.15 als 143e, 6e Nederlander en 47e bij de mannen 40+. Ik zie mezelf na lang doorscrollen terug op de 405e plaats in 10.09.56 maar wel als 3e 60-plusser. Voor Olne-Spa-Olne hadden liefst 1200 lopers ingeschreven, sommigen al 2 jaar geleden maar ze konden door cornona steeds niet aan de bak. Van hen kwamen er ‘slechts’ 700 aan de start. Er finishten er 611 binnen de toegestane tijd van 13 uur.

requiem voor een oude sporttas

de converse

1964 – 2021

hij is bij het grof vuil gezet

zijn rol als sporttas heeft hij

trouwhartig en beleefd vervuld

hij wordt hiervoor hartelijk bedankt

geen bloemen

het is gedaan

dus

door de jonge atleet gekocht in 1964

bij V en D voor f 22,50

fris en fruitig was hij

met een mooie rode kleur

hij mocht er wezen

en hoorde er helemaal bij

iedereen keek naar hem

wat heeft hij wel niet allemaal meegemaakt

en wat heeft er allemaal in gezeten

wat een vragen..

een notitieboekje met pr’s

( 10 km in 36.18 etc etc )

een uitslag van de singelloop 1983

verroeste veiligheidsspelden

zweetsokken

modderige sportkleren met

okselzuren en kruisdampen

oude veters

een medaille van de boulevardloop

en nog een hele verzameling

andere prullaria

ook een papiertje met datum en plaats

de genoteerde afspraak

met een mooi meisje….

nu

afgescheurde hengsels

het kunstleer gescheurd

de kleur is verschoten tot vaal geel

hij is een metafoor voor de oude atleet

fris en voortvarend gestart

hunkerend naar geluk en succes

bereikte hoogtepunten

opperste euforie

daarna

het kantelpunt meegemaakt

de mid-life crisis verwerkt

versleten illusies

een verzameling frustraties

cooling down apres la lettre

definitief verkleurd

de huid verrimpeld

de spieren afgenomen

maar toch opgewekt

en met een blij gemoed

rustig naar de finish

zonder medailles

die keus kan de converse

helaas niet maken

R.I.P.

pieter

27 november 2021

De Hobbeldebobbelloop en de marathon van Santa Cruz

Tijdens het boodschappen doen kwam ik zojuist een oude bekende tegen. Het gesprek kwam al snel op de Hobbeldebobbelloop van gisteren. Zij wandelde, ik probeerde zoveel mogelijk hard te lopen. Ondanks de verschillende insteek kwamen we tot dezelfde conclusie. De Hobbeldebobbelloop mag dan amper 11 kilometer lang zijn, je wordt er ontzettend moe van.

Zeventien keer de duinen over, het is ook niet niks. En het was als klap op de vuurpijl ook nog hoogwater. Daar komt bij dat de architect het parkoers zo uitgestippeld heeft dat je extra kunt genieten van de allermoeilijkste overgang, die bij Biggekerke. Je weet wel, dat is die trap die bijna tot in de hemel reikt, Na een kleine 4 kilometer moet je die over en ga je aan de zeekant weer na beneden. Vijf kilometer en een flinke lus later moet je er weer omhoog en nu is hij nog zwaarder omdat je niet naar het strand moet, maar rechtsaf verder het duin op.

Het zal geen toeval zijn dat ons aller fotorunner Arjan Schotanus juist daar had postgevat. Sensatiebelust als hij is, wilde hij natuurlijk de meest uitgewoonde koppen vastleggen. Toen ik de tweede keer de trap bedwongen had, was de pijp heel eventjes een beetje behoorlijk erg leeg. Wandelend moest ik het laatste stuk naar boven en ondanks mijn uitdrukkelijk verzoek aan Arjan Schotanus om geen compromiterende foto’s van me te maken deed hij het lekker toch. Gelukkig heeft hij er maar eentje opgenomen op zijn website, http://fotorunner.jalbum.net/Hobbeldebobbelloop%202021/

Ondanks al dat ongerief was het weer een heerlijk en nuttig loopje. Eigenlijk zou je elke week een training a la Hobbeldebobbelloop moeten doen. Daar word je namelijk heel erg sterk van. Zowel een wandelaar als een hardloper. Als afsluiting van onze nabespreking op de groenten-afdeling van Albert Heijn kwamen we overigens tot de conclusie dat de naam van de Hobbeldebobbelloop slecht gekozen is. Veel beter zou hij de Hobbeldebobbeldehobbeldebobbeldebobbeldehobbeletceteraloop kunnen heten. We willen het de organisatie maar even meegeven.

Wat ik in mijn blogs nog niet gemeld heb, is dat ik zes dagen voor de Hobbeldebobbel ook nog een marathon liep. De marathon van Santa Cruz de Tenerife. Je zou verwachten dat die net als de Hobbeldebobbel behoorlijk geaccidenteerd is, maar weinig is minder waar. Hoewel op Tenerife bijna geen meter vlak is, slaagde de organisatie er met enige kunstgrepen in om een redelijk vlak parkoers in elkaar te timmeren. Je moest twee rondjes, elk van 8,5 kilometer door de stad en ruim 11 over een industrieterrein.

Die rondjes door de stad waren ondanks een groot gebrek aan ambiance en een enthousiast publiek nog wel te pruimen, maar dat stuk door het industriegebied was dat veel minder. Je liep er een lange weg heen en terug, zodat je 2×2 keer de vieze lucht van een olieraffinaderij in je neus kreeg en – erger nog – ook 4x die van een vleesdestructiebedrijf. Ik weet niet of het daardoor kwam, maar die tweede lus ging niet van harte. Op de helft lag ik op een schema van 3.45 maar daarop moest ik in het tweede deel ruim 8 minuten toegeven. Uiteindelijk was ik wel tevreden met mijn netto eindtijd van 3.53 en een beetje. Ik begrijp overigens dat je dat tegenwoordig sub4 moet noemen, dus bij dezen.

Het was leuk om mee te doen aan de marathon van Santa Cruz, maar de volgende keer kies ik denk ik toch weer voor een Teneriefse trail. Die zijn zoveel mooier. Komend weekend loopt Tim Pleijte de Anaga K42, een prachtige trail waar ik ook nog wel een keer aan mee zou willen doen. Zelf maakte ik kennis met de Santa Cruz Extreme, een stukje verderop in het Anaga-gebergte. Het is daar niet hoog, hoger dan 1000 meter gaat het niet, maar het er ruig en steil en vooral fantastisch mooi.

Wat nog mooier is, is de Tenerife Blue. De langste afstand is alleen voor de allersterksten van deze trailwereld en daar hoor ik helaas niet bij. Starten op zeeniveau, klimmen naar de bijna-top van de Teide (3650 meter!) en dan 106 kilometer later finishen op de plek waar je begonnen bent. Gelukkig zijn er ook kortere afstanden. Ooit hoop ik nog een blogje te schrijven over een of meerdere van deze trails. Je bent gewaarschuwd. En dan nu nog het gedicht van Pieter.

dulcamara

de lente was overweldigend

vol beloften met een eindeloze horizon

de roos was prachtig

met veel mooie bloemen

heerlijke geuren en gretige bijen

overvliegende zwaluwen

het leven was zeer aangenaam

het leek oneindig

wat wil een mens nog meer

en toch ontevreden

over een snelle halve marathon

die ik net niet won

het jaar gaat voorbij

de herfst loopt ten einde

de oude roos is niet gesnoeid

zijn takken zijn verhout

veel uitgebloeide knoppen

de laatste roos kijkt me droevig aan

kramsvogels die bessen eten

de horizon nadert

de winter komt

en toch intens gelukkig

met een rustig duurloopje

7 kilometer slechts

op een donkere dag in november

alleen met mezelf op het jaagpad

zonder klok of prestatiedrang

pieter

6 november 2021

De Beartrail

Ooit het geluid gehoord van iemand die op zijn buik door de modder glijdt? Het klinkt ongeveer zo: Flaaaaaaaaatssssj!

Ik hoorde het zaterdag tijdens de Beartrail, net nadat ik op een door de modder nauwelijks begaanbaar pad was ingehaald door een onverschrokken Belg. Terwijl ik aan het bedenken was dat ik voorbijgestoken werd door een kamikazepiloot, verloor hij zijn evenwicht en gleed op het licht dalende weggetje op zijn buik minstens vijf meter naar beneden. Toen hij weer opstond kon ik mijn lachen maar nauwelijks onderdrukken. Tsjonge, zat die even onder de modder! Gelukkig was de Belg verder niet gehavend en kon hij zijn wankele weg, weliswaar in een wat lager tempo, gewoon vervolgen.

Een dag voor de start van de Beartrail was het onzekerheid troef. Volgens de ene weerprofeet zou het hard gaan regenen, gaan stormen en zouden de temperaturen flink dalen, volgens een andere zou het slechte weer Zuid-Limburg en de daaronder liggende Voerstreek rechts laten liggen en zou het met dat slechte weer allemaal wel meevallen. Wat moet je dan? In zo’n geval stop je voor de zekerheid alles in je tas. Een shirt met korte mouwen, een shirt met lange mouwen, een lange broek, een korte broek, een regenjas en een pet.

Bij de start leek het weer nog alle kanten op te kunnen en dan ga je voor zekerheid: voor een shirt met lange mouwen met daarover een regenjasje, een pet op het hoofd en toch maar een korte broek. Na een half uurtje kwam ik tot de conclusie dat het allemaal wel meeviel met dat slechte weer: pet af, regenjasje in de rugzak en niet veel later werden de lange mouwen opgestroopt. Het was gewoon lekker loopweer, met een flinke koele bries en heel af en toe een verkoelend regendruppeltje. Zo was het en zo bleef het.

Wat betreft de schoenen was ik zekerder van mijn zaak. Ik had de Beartrail al vaker gelopen en ik herinnerde me vooral veel grind, stenen en keien. Daarvoor waren mijn Hierro’s 6 van New Balance uitstekend geschikt. Maar laat dat nou juist een misrekening zijn geweest. Vooral het eerste deel van het parkoers over 39 kilometer lag bezaaid met blubber. Blubber die je niet kon ontlopen omdat die het hele pad, van uiterst links tot uiterst rechts, in beslag nam.

Dat die Hierro’s daar niet voor geschikt zijn, wist ik al na een paar passen. Bij de eerste dunne laagjes modder leek het wel of er een glijmiddel aan het profiel was toegevoegd en in de diepere lagen bagger was er helemaal geen houden meer aan. Ik voelde me een dronkeman op een skipiste. Met spijt dacht ik aan de Hoka’s Speedgoat die ik thuis werkloos in de kast had laten staan. Die hadden zich waarschijnlijk ook niet lekker gevoeld in dit soort omstandigheden, maar toch wel iets lekkerder dan de schoenen die ik nu aanhad.

In de loop der jaren heb ik geleerd wat je moet doen in dit soort omstandigheden. Als je niet anders kan dan door de modder lopen dan moet je in elk geval niet voor de schuine plekken kiezen. Daar glij je zeker weg en ga je bij het minste of geringste op je plaat. Het beste kies je voor de diepste plekken, vaak in het midden van het ‘pad’. Daar lopen je schoenen misschien een beetje vol, maar sta je ook het stabielst. Je wordt er immers links en rechts gesteund door de bagger.

Helaas had ik niet de tegenwoordigheid van geest om te kijken welke schoenen die Belg aanhad. Het zullen zeker geen Mudclaws geweest zijn, een type waar het Engelse merk Inov8 furore mee maakt. Jammergenoeg was ik ook niet adrem genoeg om een foto van zijn nieuwe uiterlijk te maken. Ik hielp hem overeind en spoot mijn en zijn besmeurde handen schoon met water uit mijn bidon. Daarna vervolgde hij een beetje verongelijkt zijn weg. Bang was hij niet van zijn val geworden want ik heb hem nooit meer ingehaald.

Dat lag waarschijnlijk ook aan mijn trage tempo. Zeker in de eerste 20 kilometer had ik mijn dag niet. Daarna ging het wat beter, maar om in dit soort omstandigheden nou eens lekker het onderste uit de kan te halen, daar was geen enkele reden voor. Het was een mooie dag om op zoek te gaan naar het lekkere loopgevoel en om te genieten van de mooie omgeving. Tijdens het tweede deel van de trail kon dat zeker omdat de modder zich daar veel minder liet zien. Wil je een mooie, niet al te zware trail lopen door een relatief onbekend gebied dan is de Beartrail zeker een mogelijkheid. Je kunt zo ver als je zelf wil. 16, 25, 39, 58, 84 of zelfs 100 kilometer! Start en finish zijn bij SK Moelingen uit ’s Gravenvoeren, een voetbalclub uit de lagere Belgische regionen, maar wel een met een fraaie kantine. Dat is ook belangrijk. De bar alleen al is naar schatting een meter of 20 lang!

Tot slot weer een opbeurend gedicht van Pieter

levensloop

ze zijn fris en starten allemaal enthousiast
met veel plezier gaan ze hardlopen
een mooie toekomst lacht hen tegemoet
sommigen doen het omdat het gezond is
anderen omdat ze van competitie houden
of gewoon om lekker te bewegen
en om van de natuur te genieten
ze doen het graag
regelmatig
onophoudelijk
dwangmatig zelfs

kijk ze toch bezig zijn
de trimmers de joggers de baanatleten
de fanatieke lopers de marathonlopers
de wereldrecordhouders
de asfaltjunks de fartlek-liefhebbers
de steeple-lopers de sprinters
de ultralopers de crossers
de ouwe runners achter een rollator

allen
allen

en of ze nu
lekker rennen in het bos
de kustmarathon lopen
wedstrijden lopen op de baan
meedoen aan een stratenloop door de stad
dan wel lekker ploeteren door de modder
snelle tempolopen uitvoeren op het asfalt
met slecht weer binnen trainen op een loopband
of lopen op gouden of roze schoenen

noem het maar op
noem het maar op

toch finishen ze uiteindelijk
allemaal in dezelfde stille straat

pieter
29 september 2021

De 18e Zeeuwse Kustmarathon

Ik ben niet zo’n schemaloper. Als ik loop wil ik vrijheid. Dan wil ik niet gehinderd worden door dingen die moeten. Alleen de wind door mijn schaarse haar, de blik op oneindig en verder een compleet lege kop. Genieten van het moment. Maar er zijn uitzonderingen. Soms wil ik mezelf nog een keertje bewijzen. Misschien nog maar één keer per jaar. In de Kustmarathon.

In Domburg kijk ik om mijn horloge. 30 kilometer in precies 2 uur en 45 minuten. Dat betekent dat een tijd onder de 4 uur uur er nog inzit. En dat wil ik. Dat wil ik graag. Wat zeg ik, dat moet. Dit is de Kustmarathon. De enige wedstrijd van het jaar waarin ik nog wil presteren, waarin ik mezelf en anderen wil laten zien wat ik nog kan op hardloopgebied.

In het dagelijks leven laat ik dingen lopen omdat ik er te lui voor ben, omdat ze niet meer zo nodig hoeven. In de Kustmarathon ligt dat om de een of andere reden anders. In zijn thuiswedstrijd moet dit ventje buiten zichzelf treden. Dan moet hij er alles uithalen wat er inzit en als het kan nog een onsje meer.

Tot het vuurtorentje bij Westkapelle moet ik mijn tempo vast kunnen houden, bedenk ik, maar dan komt de draai naar het zuiden en krijg je de laatste 7 kilometer de wind en de regen vol in je smoel. Dan valt het pijnbeest je van alle kanten aan en staan er vele mannen met hamers op het parkoers. Die tijd onder de 4 uur lijkt een onmogelijke missie, te meer omdat ik de eerste 30 kilometer eigenlijk een beetje te hard ben gegaan. Donderdag een beetje ziek geworden, twee nachten slecht geslapen en antibiotica in het lijf. Dat is niet bepaald het recept voor het afleveren van een topprestatie.

Maar het moet! Vandaag moet het gebeuren. Gek ventje. Het is me al vaker overkomen. Opeens schalt er een lied door mijn hoofd. Het is De Muur van Geraardsbergen van Alex Roeka. Een lied over kapot gaan, over afzien en nooit opgeven. ‘Ze krijgen me niet kapot’, wordt mijn mantra. Zeven ijskoude kilometers lang. Alex Roeka wekt een soort van woede in me op. Iets van ‘zijn ze nou helemaal besodemieterd. Nee, o nee, mij krijgen ze niet kapot.’ Maar wie die ‘ze’ dan zijn? Ik denk de wind en de regen en de duinen en de trappen, de paalhoofden, het mulle zand, het stemmetje dat in me zegt dat het nu wel mooi is geweest. Niks en niemand krijgt me kapot.

Als de natte wind in je botten dringt
En de hamer zingt langs je oor:
‘Hier nog een lel dan op je nek!’
De keienstraat door je benen slaat
En het pijnbeest knaagt aan je knie,
Het einde loert in de drek.

Ja, dan komt de muur en hij bijt meteen,
Het zuur snijdt door je heen, gemeen, een, twee, nee.
Hij trekt je adem en je snot vanonder uit je rauwe strot.
Waarom, o God, waarom?

Alex Roeka, de belevenissen vorige week tijdens de Spartathlon en het besef dat ik een geluksvogel ben dat ik op mijn 64e nog zo diep kan gaan houden me op de been. Gaan. Blijven gaan. Waarom, o God waarom? De tijd tikt weg maar de kilometers doen dat ook. Nog vier minuten de tijd maar daar hoor ik de doedelzakkers al. Door de druppels op m’n bril zie ik bijna niks meer en de vermoeidheid helpt daar ook nog een handje bij. Durby, Ruben en mijn broer zie ik ergens nog staan en dan storm ik voor mijn gevoel de Langstraat binnen. De klok stopt bij 3.59.03.

Ik wil gaan liggen, even een potje janken, een heel klein beetje dood gaan maar ik doe het allemaal niet. Ik hang over een hek en ben even de gelukkigste man in de hele lange Langstraat en verre omgeving. Gek ventje.

Dank Alex Roeka, dank iedereen die me geholpen heeft, dank ZLM Kustmarathonteam voor de fantastische steun, voor, tijdens en na de marathon, dank Lein, de uitvinder van de Kustmarathon, dank Pieter voor je zoveelste mooie gedicht, dank aan alles waarvan ik niet besef dat het bestaat.

punt in de tijd

het is 5 uur in de namiddag
laat in het najaar
het wordt al donker
mijn marathon zit er bijna op
ik mijmer over het leven dat ik tot nu toe heb geleid
ik hoor alle passen die ik als atleet heb gezet
vanaf de eerste start tot en met gisteren
ze klinken als een massale echo
de oudste heel zacht en de recente hard
en nadrukkelijk
het is een enorme reeks
van zachte en harde klanken
ze klonken in de lente en de zomer
richting winter

ik zit nu dus in het lage novemberlicht
en denk aan de korte tijd die ik nog heb
hoeveel passen zal ik nog zetten ?
mijn toekomst is onzeker
en kort

van de weinige passen die ik nog zetten zal
hoor ik heel zacht een paar pre-echo’s
of denk ik dat maar ?

pieter
2 juli 2021

De Spartathlon

Het is woensdagavond, ruim drie dagen na de finish van de Spartathlon. Ik probeer mijn gedachten en herinneringen te ordenen maar dat lukt niet zo goed. Ik denk dat het allemaal een beetje te veel was. Te mooi, te emotioneel, te succesvol, te vermoeiend.

Laten we daarom maar gewoon beginnen om wat droge feitjes op een rij te zetten. Ik was mee met Leonie Ton naar de Spartathlon om haar tijdens de tocht van 246 kilometer tussen de Acropolis van Athene en het standbeeld van Leonidas in Sparta zo goed mogelijk te helpen. Leonie had bij allerlei posten onderweg pakjes (dropbags) met eten, drinken en andere hulpmiddelen laten leggen en ik was een soort achtervang. Ik zeulde een indrukwekkend grote koffer met me mee, van hulppost naar hulppost, boordevol met allerlei extra voeding (vast, vloeibaar), smeerseltjes, kleding, eerstehulpmiddelen, een extra hoofdlampje, snoep, nog een heleboel en niet te vergeten de Zeeuwse vlag. Voor bij de finish. Verder hield ik via de app familie en vrienden op de hoogte en beantwoordde allerlei andere verzoeken om informatie.

Ik zal het alvast maar verklappen: Leonie haalde die finish. Net als in 2019. En hoe. Ze liep de race van haar leven en vrat 4 uur van haar tijd van twee jaar geleden af. Ze was met grote voorsprong de snelste Nederlander (m/v) en werd zevende vrouw overall. Wat een grote klasse. Wat een fantastische tocht. Hoe mooi kan ultralopen zijn. Maar hoe hard ook. Alleen de supertalenten en de supergemotiveerden kunnen deze race voltooien. Alleen totale toewijding is goed genoeg. In de laatste weken 200 kilometer per week trainen, je goed verzorgen, uitrusten, op tijd naar bed, het hoort er allemaal bij. Ook als je een drukke baan hebt, een druk huishouden met een man en een dochter en je naast je werk ook nog cursussen volgt. Zoals de 46-jarige Leonie.

Ik loop me al de hele dag af te vragen wat me het meest is bijgebleven van die race van 30 uur en 49 minuten. Natuurlijk was dat de finish, waar ik het even moeilijk had om het droog te houden. Leonie met de Zeeuwse vlag richting Leonidas, toegejuicht door honderden dolenthousiaste Spartanen. Voetje voor voetje het trapje op en dan het ultieme moment, het kussen van de voeten van de koning van Sparta. De 246 kilometers zijn afgelegd, de immens zware tocht is volbracht. Maar gek genoeg zie ik steeds weer twee andere, achteraf misschien minder belangrijke beelden voorbij komen.

Het eerste is van vrijdagmorgen 6 uur, een uur voor de start. Leonie komt uit het hotel gelopen en komt naar me toe om haar telefoon af te geven. Maar dan kijkt ze om zich heen en ziet ze een verlaten plein. Geen bus, geen lopers. Waar is iedereen? Is de bus al weg naar de Acropolis? Paniek maakt zich van haar meester. Ze draait zich om, wil naar de balie van het hotel rennen om te vragen waar de bus is en glijdt dan uit op de gladde stenen. Het lijkt in slowmotion te gebeuren. Leonie valt achterover op haar rug. Ze blijft even liggen en krabbelt dan voorzichtig overeind. De schrik is groot. Bij haar en bij mij. Het zal toch niet nu al over en uit zijn! Ze heeft pijn aan haar elleboog en kaak en ook een beetje aan haar hoofd. Ze lijkt een beetje in de war. Tijd voor diagnoses is er echter niet. De bus blijkt om de hoek te staan. Leonie rent erheen.

Het tweede beeld is van knipperende lichtjes op de Sangaspas. Als enigszins ervaren trailloper dacht ik wel ongeveer te weten wat de lopers daar te wachten stond. Toen ik op Mountainbase, aan de voet van de Sanggaspas, om een uur of 12 ’s nachts aankwam, was de verbazing toch groot. Het was er niet alleen ijskoud en winderig, die berg was veel steiler dan ik dacht. Hoog boven me zag ik de rode lichtjes die de lopers de weg moesten wijzen branden. Hoog, steeds hoger. Op schoenen zonder veel profiel moesten ze naar boven en – veel moeilijker nog – ook weer naar beneden. Na 160 kilometer buffelen. Midden in de nacht. Het was maar goed dat er onderweg EHBO-posten waren.

ff bellen met Leah

Na de start om 7 uur van zo’n 280 lopers uit de hele wereld bij de Acropolis was het lang wachten op de eerste berichten. Pas na 45 kilometer (in Megara) mocht Leonie voor het eerst geholpen worden. Alle tijd voor mij dus, maar dat bleek toch even anders. Het verkeer in Athene zat muurvast (mede met dank aan overstekende Spartathlonners) en uiteindelijk had ik maar een uurtje over om boodschappen te doen en alles klaar te zetten voor de doorkomst van Leonie. Uiteindelijk was ze daar. Vragen naar haar lichamelijke gesteldheid deed ik niet, want daar houdt ze niet van. Niks over de kuitblessure waar ze de weken en dagen voor de Spartathlon mee worstelde en ook niet over de gevolgen van haar val. Dan gaat ze zelf over haar ongemakken nadenken en dreigt het gevaar dat ze haar oude pijntjes die ze vergeten was toch weer gaat voelen. Ze had nog wat last van haar hoofd, zei ze uit zichzelf. De verdere race heb ik haar daar niet meer over gehoord. Per saldo was Leonie opvallend opgewekt en ontspannen. Ze had er zin in.

Ik heb het idee dat Leonie na die eerste stop de vlam in de pijp kreeg. Ze was veel eerder bij de 80 kilometer (Korinthe) dan ik had verwacht en ook in oud-Korinthe, Assos, Zeygolatio, Halkeion en oud-Namea was ze zo. In die laatste plaats was het nog hartstikke licht, terwijl ze er 2 jaar geleden pas bij schemering was. In oud-Namea was ze al halverwege. Via de app had ik doorgekregen dat Leonie aanvankelijk rond de 45e plaats liep maar dat ze in oud-Namea opstoomde richting top 20. Wat ging dit goed. Ging het niet te goed?

Richting een schattig cafeetje in Malandreni werd het parkoers steeds zwaarder. Een stijgend stuk, onverhard, daarna een lange, smalle ronduit steile weg door een bos. Dat alles geheel onverlicht. Na afloop hadden we het over het geblaf van roedels honden in het donker. Leonie is niet bang van honden, ze heeft er zelf twee, maar misschien was ze dat wel een beetje van het gehuil in de verte. Van experts hoorde ik dat dat wel eens jakhalzen geweest zouden kunnen zijn.

Rond 11 uur was ook de post in het schattige dorpje Leirkeia al gepasseerd en ging het richting Sanggaspas. Graag had Leonie daar een paar handschoenen aangetrokken, maar die bleken onvindbaar. Je kunt het zo gek niet verzinnen of het zat in de koffer, maar die handschoenen blijkbaar niet. Toen ik na het vertrek van Leonie met het koffertje terug richting auto stiefelde, schopte ik iets weg. Dat bleken de handschoenen te zijn. Op een onverklaarbare manier waren ze uit de kledingzak en uit de koffer gevallen. Na de finish heb ik die handschoenen alsnog aan Leonie gegeven, maar ik kwam ze vanmorgen bij het uitpakken van mijn koffer toch weer tegen. Rare jongens, die handschoenen.

Ook zonder handschoenen overleefde Leonie de Sangaspas moeiteloos. Het tempo bleef hoog, de stemming was goed en Sparta kwam steeds dichterbij. Veel hoefde ik niet te doen bij de posten. Leonie had naast wat bemoedigende woorden niet veel nodig. Koffie vond ze lekker en verder dronk ze de flesjes met ‘krachtvoeding’ trouw leeg. Twee keer wilde ze haar telefoon hebben om even met haar dochter te bellen.

Dat was wel opvallend, hoe sociaal die ultralopers zijn. Midden in de nacht vroeg Leonie me opeens hoe het met mijn kies ging. Op de heenreis had ik verteld dat ik moeilijk kon eten door een ontstekinkje en nu, midden in de wedstrijd kwam ze daar op terug. Ik ken nogal wat topsporters die alleen met zichzelf bezig zijn, maar dat geldt niet voor Leonie en ook niet voor de andere leden van de Nederlandse ploeg. Stuk voor stuk aardige mensen, oprecht geïnteresseerd in anderen en altijd bereid iets voor een ander te doen. Een voorbeeld. Gerben Oevermans haalde door maagproblemen de finish niet, baalde als een stekker, maar maakte in Sparta wel filmpjes van de laatste meters van de Nederlanders die wel finishten. Dat waren er vijf. Jammer, echt heel erg jammer dat de overige vier het niet haalden. Iedereen gunde het hen zo. We hebben het samen echt goed gehad.

Later in de nacht ging het met dat tempo wat minder. Ik hoorde wat over spierpijn en over dribbelen. Maar geen paniek. Wie zat er zo diep in de nacht wel nog voor 100% lekker in zijn vel? Niemand toch? In Alea, na 193,8 kilometer, ontdekte ik een massagetafel bij de verzorgingspost. Er werd net een Maleisiër opgelapt en toen die klaar was, viel de masseur in slaap op zijn eigen tafel. Misschien was die tafel iets voor Leonie? Geen denken aan. Als je naar haar benen wees, begon ze al te steigeren. Met deze benen ging ze het doen. Aan haar lijf geen polonaise.

Die benen kregen nu het saaiste stuk te verwerken. Een eindeloze brede en licht stijgende en daarna dalende weg vanaf Tripoli tot aan Sparta. Het werd koud, steeds kouder, het was uiteindelijk maar drie graden. Leonie vond het niet erg. Het betekende dat ze moest blijven rennen om warm te blijven. Ik stond een eind verderop te vernikkelen. Een groot voordeel was dat je geen slaap kreeg. En dat ze bij die post lekkere koffie hadden. Een post verderop kwam de zon op. Het was meteen behoorlijk warm. Ik viel er in slaap maar was gelukkig net wakker toen Leonie kwam. Het lopen ging moeilijker. Toen ik 10 kilometer voor de finish haar met de auto nog één keer voorbij reed en nog wat aanmoedigingen rondstrooide dacht ik dat ze huilde. Van pure pijn, van pure uitputting. Naderhand vertelde ze dat ze aan het afzien was maar huilen was het niet. Misschien kwam het wel van de uitputting bij mij dat ik het dacht te zien. Ik schrok er van. In Sparta heb ik de auto ergens neergezet en ben Leonie in lichte paniek tegemoet gelopen. Later heb ik lang moeten zoeken om de auto terug te vinden.

Het duurde lang voordat ik haar zag. Toen er een politiemotor langskwam met Zeeuwse vlaggetjes op het stuur, wist ik dat het goed zat. Wat een opluchting. Tis raar dat je opeens allerlei rampenscenario’s voorbij ziet komen. Met tweevoudig finisher Giel Joziasse en zijn vrouw Anita namen we een paar weken voor de start nog even door wanneer je eventueel zou kunnen opgeven. Er waren maar twee mogelijkheden. Of je wordt uit de race gehaald wegens tijdsoverschrijding, of een dokter verbiedt je om verder te gaan. In alle andere gevallen loop je door.

Op zondag, minder dan 24 uur na de finish, is traditioneel de zogenaamde onderbroekenrace. Dan lopen de finishers die fit genoeg zijn en zin hebben op blote voeten en in alleen ondergoed wat rondjes over de atletiekbaan van Sparta. Leonie was erbij. Terwijl ze wat rondjes liep met de Letse winnares Diana Dzaviza raakte ik in gesprek met haar coach. Hij voegde een derde mogelijkheid voor opgeven aan ons lijstje toe: je gaat dood.

Bij Leonie was van alle drie de mogelijkheden in de verste verte geen sprake. Ze zou gewoon finishen, al was het met enige vertraging. Voorafgegaan door een motor met sirene en zwaailicht en achtervolgd door een horde kinderen op fietsjes kwam ze er eindelijk aan. Met korte dribbelpasjes, die je wandelend makkelijk kon bijhouden. Het maakte niet uit. Het maakte de zegetocht alleen maar langer en dus mooier. Wat was dit een prachtig weekend.

Mooi dat diverse media inzien dat er in Sparta iets heel bijzonders gebeurde. Al tijdens de race had ik het druk met het versturen van foto’s. Naderhand kwamen de belletjes. De PZC was natuurlijk geïnteresseerd en publiceerde een mooi stuk. Langs de Lijn interviewde Leonie en ook de Telegraaf wilde haar spreken. Alleen Omroep Zeeland liet het een beetje afweten. Zij hadden het misschien te druk met iets anders heel belangrijks. Het verzamelen van de Zeeuwse voetbaluitslagen.

Voor Leonie was dit haar laatste Spartathlon. Ze gaat zich richten op andere (ultra)evenementen. Als ik haar mag adviseren dan zou ik zeggen: zeg nooit nooit. Ik kan me niet voorstellen dat er veel mooiere ultra’s op de wereld zijn dan de Spartathlon. Leonie gaat dat de komende jaren uitzoeken. Hou me op de hoogte alsjeblieft.

Aan het eind van dit lange epistel een – vind ik – prachtig gedicht van loopvriend Pieter van Horssen.

het woord

ik hoef geen woordenboeken meer
vergeefs geraadpleegd
ik wil alleen het woord dat er
nooit in zal staan
en niemand kan bedenken

een smetteloos wit woord
dat uitdrukt wat de essentie is
van het succesvol deelnemen aan de Spartathlon
waarin de atlete 30 uur lang
in gevecht is met zichzelf
gedurende de hitte van de dag
en de duisternis van de nacht

dat woord

pieter
25 september 2021

De Bosbokkentrail

Zwaar is hij niet, maar dat maakt de Bosbokkentrail er niet minder mooi om. Met slechts vijftien man begonnen we zondagmorgen aan de langste afstand, de 47 kilometer. Toch werd het behoorlijk gezellig.

Om te beginnen wil ik Piet Beijer een complimentje geven. In de winter lopen we met ons ‘bejaardenclubje’ wekelijks op donderdag een rondje van zo’n 14 kilometer over de Kop van Schouwen, over een parkoers dat door Piet is uitgezet. Hij heeft dat uitstekend gedaan, want de experts van de Bosbokken hadden een groot gedeelte van zijn route gekopieerd. Veel mooier kan het dus niet. We liepen over allerlei bekende singletracks in de bossen, soms met best nog steile, technische stukjes.

Na de bossen kwam een lang stuk strand, van Haamstede tot bij Renesse. Het was laag water, de zon scheen en de wind blies ons zachtjes op de neus. Ook daar was het prachtig en heerlijk rustig. Eerst liep ik een stukje met een juffrouw en na een kleine versnelling achterhaalde ik een meneer in rood shirt. Ik had hem nog nooit gezien, en toch kende ik hem.

Het was Wouter Rouwhorst uit Borculo. Een jaar of 15 geleden, toen we bij de PZC de Familieloop nog organiseerden, belde ik hem omdat hij met zijn vrouw en vier kinderen de naam van de Familieloop heel veel eer aan deed. Ze liepen allemaal mee! ‘Ik heb het stukje uit de krant thuis nog liggen’, vertelde Wouter. Zo hadden we heel wat te bespreken en de kilometers gingen moeiteloos voorbij. Na een drankje bij de bevoorrading bij De Zeeuwse Stromen bereikten we de kilometerslange Vroonweg, een fietspad langs de duinen.

Via het Gardrabos en het fietspad met die enorm steile klim gingen we linksaf het strand weer op. Na een kort stukje mul zand waren de singletracks door de Verklikkersduinen aan de beurt, waarna het zwaarste stuk kwam: het gevreesde Dodemanspad door de Meeuwenduinen. Het was een zwaar stuk. Het zand leek nog muller dan anders, de duinen nog een klein stukje hoger. En natuurlijk stond er weer geen zuchtje wind. In die Zeeuwse Sahara liep de hartslag van Wouter hoog op, waarna ik in mijn eentje verder ging. Vervolgens kreeg ook ik een tikje van de man met de hamer, want ik had gedacht dat we aan het laatste lusje, door de Zeepeduinen konden beginnen. Het bleek dat er eerst nog een flinke lus door de boswachterij was.

Na een uurtje of 5 kwam de De Molenberg weer in het zicht, waar een paar heerlijk koude biertjes op me wachtten. Het was niet alleen een heerlijke trail, hij was ook uitstekend georganiseerd. Complimenten voor de Bosbokken. Er waren trouwens ook afstanden van 15 en 30 kilometer, die beter bezet waren.

Met de Bosbokkentrail kwam een eind aan de voorbereiding op de Kustmarathon. Na vijf weekenden rennen (vorige week liepen Leonie, Johan en ik de Pietersbergtrail, hieronder nog wat foto’s) is het nu tijd voor twee weken rust. Volgende week ben ik assistent van Leonie Ton bij de Spartathlon. De week erna staat er met de Kustmarathon weer een stukje Schouwen op het menu.

Of ik het ultieme einddoel ga halen is sinds zaterdag zeer de vraag. Eind oktober is de Transvulcania maar op La Palma, de plaats van handeling, is een vulkaan uitgebarsten. Het is zeer de vraag of de trail door kan gaan. Het parkoers is weliswaar het mooiste van de wereld, ik wil toch niet het risico lopen om bij de Cumbre Vieja door een hete steen getroffen te worden. Dan maar wachten tot mei, wanneer de volgende Transvulcania op het programma staat.

De Bouillonnante

In 2018 liep ik al eens de Bouillonnante, dus wist ik zaterdag wat me bij mijn twee deelname zo ongeveer te wachten stond. Het eerste deel van het 50 kilometer lange traject door de Ardennen zou redelijk gemakkelijk zijn, maar het tweede deel des te moeilijker. Onderweg hoorde ik iemand praten over een uitdagend parkoers. Zelf zou ik enige stukken willen betitelen met de term ‘gekkenwerk’. Het kostte me letterlijk bloed en zweet om te finishen. Maar ik heb niet gehuild.

In het kasteel voor de start

Voor de start vanuit het hoog boven Bouillon gelegen kasteel werden door de wedstrijdleiding nog wat lastige punten op het parkoers doorgelopen. We zouden twee keer het riviertje de Semois oversteken, we zouden enkele zware klimmen en gevaarlijke afdalingen voor de kiezen krijgen (soyez prudent!) en we zouden door een grot lopen. Daar moesten we bukken. Dat was nieuw voor me. Die grot kwam in 2018 nog niet in het parkoers voor. Maar goed, wel leuk zo’n grot. Ik kon me niet herinneren ooit door een grot getraild te hebben.

Hoog boven onze camping

Alle lastige hindernissen overwon ik met boter en suiker, maar juist in die grot vond ik bijna mijn Waterloo. Ze hadden voor de start nog zo duidelijk gezegd dat je er goed moest bukken en voor de ingang (zo’n 27 kilometer na de start) gaven twee vriendelijke heren nogmaals duidelijk aan dat het plafond zo hier en daar aan de lage kant was. Bukken dus. Bukken deed ik aanvankelijk ook, maar toen ik dacht te zien dat een paar voorgangers weer stoer rechtop gingen lopen, kwam ook ik overeind. Te vroeg!

Natuurlijk heb ik veel vaker mijn hoofd gestoten, maar deze klap komt zeker terug in mijn persoonlijke topdrie. De bril vloog van mijn hoofd, een bidon viel op de grond en niet veel later zat ik op mijn knieën. Even dacht ik dat het licht uitging, maar dat viel mee. Wel stroomde er wat nattigheid in mijn ogen en dat bleek bloed. Een half minuutje rust bracht me de conclusie dat het allemaal wel meeviel. Niet duizelig, niet misselijk, alleen een beetje pijn in mijn kop. En wat bloed, dat was alles.

Er was op sommige plaatsen veel publiek

En, raar maar waar, deze kopstoot had ook nog een positief effect. Moest ik voor de botsing na elke 20 passen mijn bril weer hoger op mijn neus duwen omdat hij mede door het zweet steeds richting puntje gleed (bij mij is dat nog een flink traject), nu bleek dat niet meer nodig. Hij zat plotseling als gegoten.

Gelukkig stond er niemand bij de uitgang en kon ik mijn weg ongestoord vervolgen. Zo af en toe spoelde ik met water uit mijn bidon mijn hoofd schoon, vooral als er medelopers of mensen langs de kant vroegen of het wel goed met me ging. Het ging prima. Uit ervaring weet ik dat een bloedend hoofd er zwaar gewond uit kan zien, terwijl er weinig aan de hand is. Bij de volgende drankpost, na km 36, moest ik al mijn overredingskracht gebruiken om de hulp van de EHBO vriendelijk doch dringend af te slaan. Ik wist: als zij een prooi te pakken hebben dan laten ze niet snel meer los.

Steile afdaling

De lastigste hordes kwamen pas daarna. Net na die bevoorraading heb je ‘The Wall’, een klim met een gemiddeld stijgingspercentage van 33,7% over een lengte van 450 meter. Voor de slechte rekenaars onder ons: dat is een hoogteverschil van 153 meter. Ik deed er bijna 13 minuten over, goed voor een gemiddelde snelheid van iets meer dan 3 kilometer per uur. Bij een hartslag van ver boven de 150. U zult begrijpen, tijdens zo’n exercitie doe je wel een jasje uit.

Het begin van The Wall

Voor de minstens even steile afdaling die volgde had je touwen en ladders nodig. Wat daarna kwam, was ik even vergeten. Ik moest mijn toch wel behoorlijk uitgeputte lijf op de een of andere manier toch weer een metertje of 70 een loodrechte muur op zien te hijsen. Dat lukte, maar vanaf toen zag de wereld er toch een beetje anders uit. De laatste klimmetjes werden met snelheden van minder dan 3 kilometer per uur aangevallen. En dat waren er nog heel wat.

De eerste oversteek van de Semois

Na 8 uur en 11 minuten was ik teruggekeerd voor de poorten van het kasteel van Bouillon. Ik vond het ondanks het trage laatste stuk lang niet slecht, want in 2018 deed ik er ruim een half uur langer over en toen werd ik niet derde bij de mannen 60+. En wat ook wel fijn was: in de spiegel van de camping waar ik met mijn meisje onze tent had opgezet, zag ik weliswaar een enorme buil op mijn voorhoofd, maar ook een niet al te grote schaafwond.

De Manneken Pis-trail

Toen Johan de Vlieger me voorstelde om aan de Manneken Pis-trail mee te doen, dacht ik dat we naar Brussel zouden gaan. Dat was een misverstand. Niet alleen Brussel heeft een standbeeld van Manneken Pis, Geraardsbergen heeft er ook een. En wel al sinds 1459. Zo zie je maar, trailen is niet alleen heel erg leuk, het is ook behoorlijk leerzaam.

Op de top van de Kapelberg

Wie aan Geraardsbergen denkt, denkt onmiddellijk aan de Muur. Zeker als je een wielrenliefhebber bent. De Muur is een icoon in het wielrennen, een scherprechter van hier tot heel ver weg. Elke wielerwedstrijd die ook maar een beetje in de buurt van Geraadsbergen komt, moet over de Muur. Daar zie je de heroiek van het wielrennen. Daar valt negen van de tien keer de beslissende slag. De Manneken Pis-trail is weliswaar geen wielerwedstrijd, maar moet er natuurlijk ook over.

Eindelijk weer eens een trail. In mijn oneindige ambitie om in oktober te schitteren in de Kustmarathon en de Transvulcania, deed ik eerder in september al mee aan de 15 van Wolphaartsdijk en de Heinenoordtunnelloop. Twee nuttige en leuke wegwedstrijden, maar ze halen het wat mij betreft in de verste verte niet bij een leuke trail. En de Manneken Pis-trail was er zo een. Gemoedelijk, gezellig, niet al te zwaar maar wel heel mooi.

Johan koos voor de 15 kilometer. Ik wilde wat verder en koos voor de verste afstand, de 25km. Wat betreft de Muur maakte dat niet uit. Na de start op de atletiekbaan van Geraardsbergen ging het meteen heuvelop, richting Muur. Al na 2 kilometer draaiden we de kasseien van het wielermonument op. De hele aanloop, die naar mijn bescheiden mening minstens even zwaar is als dat laatste stukje over de kasseien naar de top van de Kapelberg, sloegen we over.

Tijdens dat stukje van pakweg 300 a 400 meter omhoog, werden we links en rechts begeleid door amateurwielrenners. Dat was soms een beetje linke soep want er waren er bij met nogal weke beenspieren, waardoor ze slingerend de weg omhoog kozen. Tijdens dat korte tochtje heuvelop bedacht ik dat wielrennen in vergelijking met trailen eigenlijk niet veel voorstelt. In de wielrennerij wordt al hoog opgegeven als je tijdens een rit 4000 hoogtemeters moet maken. De gestaalde kaders van de trailwereld moeten daar om lachen. Zij draaien hun hand niet om voor het dubbele aantal hoogtemeters. En dat niet over fraai aangelegde asfaltwegen, maar over bijna onbegaanbare geitenpaden. Zowel bergop als bergaf.

Met die conclusie in het achterhoofd kon ik al bijna aan de afdaling van dit eigenlijk onbetekenende puistje beginnen. Nog even rond de Kapel en hoppa, het mooiste stukje van de Manneken Pis-trail lag al achter ons. Je kan het maar gehad hebben. Via allerlei landweggetjes ging het richting Bosberg. Samen met de Muur was die vroeger de scherprechter in de Ronde van Vlaanderen. Na de Muur en de Bosberg lag de finish een kilometer of 15 verder in Ninove. Tegenwoordig is dat anders. Deze twee monumenten van het wielrennen worden al een paar jaar niet meer aangedaan in de Ronde.

Die Bosberg is een merkwaardig ding. Het is eigenlijk niet meer dan een rechte weg die een paar honderd meter behoorlijk steil omhoog loopt. Hij is bekleed met kasseien. Aan de andere kant gaat hij op dezelfde manier naar beneden. Wij mochten de Bosberg via een bospaadje nemen, met zo af en toe een korte blik op de kasseien. Aan het eind ging het voor de 15 kilometer linksaf, wij moesten rechtsaf.

Johan en ik vroegen ons onderweg naar Geraardsbergen af of het verstandig zou zijn om trailschoenen aan te doen. Johan, die al eens eerder had meegedaan, dacht dat het niet nodig zou zijn, ik dacht gezien het slechte weer deze zomer van wel. We kregen allebei gelijk. Het traject van 15km bleek goed begaanbaar, op mijn parkoers had je op een paar stukken bij wijze van spreken lieslaarzen nodig. Na de afslag op de Bosberg zakten we af naar een natuurgebied rond het riviertje de Mark. Daar kon je eigenlijk gewoon het best het midden van het pad kiezen, daar waar je het diepst in de modder zakte. De zijkanten waren onneembare glijbanen. In het midden had je nog wat steun, maar wel met het gevaar dat de modder je schoenen inliep. Dat moest dan maar.

Het tweede deel van de trail was aanmerkelijk makkelijker dan het eerste. We kregen nog maar één lastige, behoorlijk modderige klim voor de kiezen. Aldaar moest ik natuurlijk nog even kennismaken met de weke ondergrond. Gelukkig zat er nog wat water in mijn bidon, waardoor ik in elk geval mijn handen nog een beetje kon schoonspoelen. Desondanks liep ik dat laatste stuk behoorlijk lekker, al zeg ik het zelf. Na 26 kilometer in iets meer dan 2,5 uur werd ik op de atletiekbaan opnieuw verwelkomd door de charmante speakster: ‘Ha, daar hebben we Koen weer. Uit Nederland!’ De eerste plaats in mijn leeftijdscategorie (Vet 3) was binnen. Dat zei echter niet zo veel want de concurrentie was gering. Volgende week wordt het andere koek. Dan staat de Bouillonnante op het programma: 50 kilometers met 2850 hoogtemeters.

De trail zat erop, maar de dag nog niet. Johan stelde voor om nog even de Muur op te wandelen om daar op het terras van het café een biertje te drinken. Het was er een drukte van jewelste. Honderden wielerfans waren er in afwachting van twee doorkomsten van de Brussels Classic, een profkoers die rechtstreeks door de VRT werd uitgezonden. We waren nog niet boven of een helicopter maakte converseren onmogelijk en even later denderden goedbetaalde wielerprofs langs ons terras. Toen het bier op was en het tijd werd om weer af te dalen, kwamen ze opnieuw langs.

In de gauwigheid herkende ik Remco Evenepoel, volgens kenners het grootste Belgische wielertalent sinds Eddy Merckx, en ook veteraan Philip Gilbert was duidelijk in beeld. Bij thuiskomst zag ik dat de Brussels Classic een bijzondere ontknoping had gekregen. Een deel van de kopgroep van zeven die op weg was naar de finish in Brussel koos de verkeerde afslag. Wat dat betreft hebben wielrennen en trailen wel een overeenkomst. Vijf gingen naar rechts, twee naar links. Die vijf waren op slag kansloos. Evenepoel, die uit de buurt komt, ging de goede kant op en won.

Remco Evenepoel op de Muur

Tot slot weer een gedicht van Pieter. Niet over een trailloper maar over Carlos Lopes. Een van de beste marathonlopers ooit.

Carlos Lopes

de deur is door hem opengezet
ik zag een nieuw toekomstperspectief
het veranderde mijn bestaan
onomkeerbaar – zeker

een dag om nooit te vergeten
hij won de marathon van Rotterdam
er kwam nieuw record op de kerfstok van de tijd
2.07.12

de manier waarop hij dat deed was van
een bovennatuurlijke orde
althans zo heb ik het ervaren
een ijkpunt in de tijd

hij is een gemotiveerde jager
en weet donders goed hoe de hazen moeten lopen
20 kilometer is voldoende
strakke lijnen – korte bochten

een enorm bovenlijf als blaasbalg
die zijn benen van zuurstof voorziet
zijn fluwelen voeten strelen het asfalt
een balletdanser zonder muziek

zijn passen zijn lang en zijn snelheid hoog
zij vormen een economische golfbeweging
de aardbol draait vlot onder hem door
het lijkt wel of hij zweeft

het is een prachtig beeld
om nooit te vergeten
22 kilometer eenzaam in gevecht met de klok
de bestaande tijd kantelt langzaam

zijn gezicht straalt een doelbewuste focus uit
en toch zien we een serene rust
het is een oogstrelende beweging
een paradox die het volmaakte lopen bevestigt

na de finish heeft hij zich in mijn hersens genesteld
ik ben hem nooit meer kwijt geraakt
hij was meer dan een geweldige atleet
een stimulans in mijn beleving over hardlopen

ik kreeg een ander bewustzijn :
de schoonheid van het rennen
en de ervaring van de bewegingen
vervolmaken ons bestaan

de deur is nooit meer dicht gedaan

muchas gracias Carlos
nunca te olvidaré

pieter