De Bello Gallico

Vanmorgen ontving ik een appje van mijn neef Martijn. ‘Hoe is het met het karkas?’, was zijn vraag. Ik voelde eens aan mijn benen, kneep in mijn buik en dacht dat ‘karkas’ helemaal niet zo’n slecht gekozen woord was. Al vind ik bij nadere beschouwing dat het woord ‘kadaver’ nog iets mooier was geweest.

Martijn en ik liepen zondag de Bello Gallico, een trail in de buurt van Leuven. We hadden er allebei heel veel zin in. Anderhalf jaar geleden deden we mee aan de Great Escape, een andere trail van de Legendstrail-organisatie. Die beviel uitstekend en deze zou een stukje minder zwaar zijn. Enkele feiten op een rijtje: 50 engelse mijl (80 kilometer), start om 0.00 uur ’s nachts in Oud-Heverlee, 1250 hoogtemeters, 16 uur tijd om te finishen, drie verzorgingsposten, mooi parkoers, geweldige organisatie.

Uit het intro zal je al begrijpen dat het wat die zwaarte betreft wel meeviel. Of beter gezegd: tegenviel. Na de marathon van Santa Cruz, Olne-Spa-Olne en een griepje was het een zware bevalling. De Bello Gallico had weliswaar heel veel hoogtemeters minder dan de Great Escape maar wel heel veel meer modder. Wat een beproeving was dat. Wat een gebagger door de mist en de koude nacht. Maar ook, wat een fantastisch avontuur!

Voor de zekerheid gooide ik zaterdagavond voor vertrek een slaapzak en een kussen achterin de auto. Mocht het lijf er geen zin in hebben dan kon ik altijd nog op mijn schreden terugkeren en een dutje achterin de auto doen. In afwachting van de terugkeer van Martijn. Aanvankelijk was mijn lijf niet van plan enige medewerking te verlenen. Een automonteur zou zeker even het oliepeil gecontroleerd hebben. Toch heb ik tijdens geen enkele stap van de 80 kilometer nog aan die slaapzak gedacht. Trailen is geen simpel uitstapje van a naar b. Achter elke boom kan een man met een hamer verstopt zitten, achter elke bocht een afgrond. Na elke hartslag kan je maag van streek raken.

Juist dit soort dingen maakt trailen zo mooi, zo avontuurlijk. Trailen betekent vaak tempo inleveren, rust nemen, even zitten, nog even iets langer even blijven zitten, een beetje pijn lijden. Geen haast hebben dus, geduld hebben. Maar wél doorgaan en de mooie dingen zien in allerlei ‘lelijkheid’. En accepteren dat je iets later zult arriveren. Maar heel soms moet je constateren dat het echt niet verder gaat. Zoals Leonie bijvoorbeeld, die zaterdagavond na 130 kilometer van de 100 mijl (die was er ook!) constateerde dat de pijp volledig leeg was en voor het eerst in haar rijkgevulde carrière dnf achter haar naam kreeg.

Na het appje stuurde Martijn ook nog een filmpje dat het gebagger fraai illustreert. Het is gemaakt na een kilometer of 15. Op een smal paadje. Of was het gewoon een riviertje? Links en rechts prikkeldraad annex schrikdraad. Dat vastpakken was dus om verschillende reden geen optie. Het paadje stond niet op zich. Dit was meer een parkoers voor pottenbakkers! Zeker de eerste 40 kilometers. Zo stond na 33 kilometer een stukje langs het riviertje de Deile op het programma. Eerst lag er een vlonder. De tijd had er echter nogal veel greep op gekregen. Er ontbrak af en toe toe een stukje plank, daarna soms een hele plank en uiteindelijk – je raadt het al – was de hele vlonder verdwenen. En dat een paar honderd meter aan een stuk.

Neef Martijn

Tot mijn grote geluk trof ik halverwege, bij post 2, Martijn. Ik was bang dat hij bij de finish uren op me zou moeten wachten omdat ik niet erg opschoot. Gelukkig was dat niet zo. Het gaf me de rust om het tweede deel wat rustiger ‘af te werken’. En dat was maar goed ook, want het energieniveau daalde zienderogen. De mist bleef, net als de modder. Door de duisternis ploegde een eenzaam ventje, kilometers helemaal alleen. Maar in de duisternis hoorde hij uilen roepen, zag hij een paar keer een vos wegschieten en kreeg hij mooie gedachten.

Toch was de finish een van de hoogtepunten van de dag. Na 11 uur en 29 minuten werd ik in zaal de Roosenberg in Oud-Heverlee onthaald op een warm applaus van mijn al gefinishte collega-lopers en de vrijwilligers. Dat voelde als een warm bad. Op het toneel kreeg ik een immense medaille omgehangen en werd ik hartelijk gefeliciteerd door enkele mensen van de organisatie. En daarna bood een aardige dame me een bord chili aan, naar wens met of zonder carne. En zo’n heerlijk Kerel-biertje.

Ja, dat moet toch nog even worden gemeld. Legends Trail slaagt er elke keer weer in om midden in de nacht de alleraardigste mensen op de been te krijgen om een stel ‘randdebielen’ in de watten te leggen. Enorm bedankt daarvoor. Onderweg dronk ik heerlijke koppen hete koffie, at ik lekkere minestronesoep, croque-monsieurs, wraps, suikerkoeken, chocolade en wat al niet meer. De vijf gelletjes die ik van huis meenam heb ik zojuist weer terug in de doos gedaan. Niet nodig.

En nu zit ik hier achter mijn laptop. Een kadaver, een zak rammelende botten, met een zeer gevoelige, uitgeputte massa daaromheen. En dat terwijl de Bello Gallico in 2019 nog veel modderiger moet ziijn geweest! Dat hardlopen met vrienden er door de lockdown even niet inzit, zal me worst wezen. Dit kadaver heeft een poosje rust nodig en wil nog even nagenieten van die prachtige Bello Gallico.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s