De Pietersbergtrail

Eigenlijk had ik zondag de Cote d’Opale willen lopen. Twee dagen voor de start werd die trail echter afgelast (covid 19). Dat was balen. De trailhormonen begonnen behoorlijk op te spelen en dan krijg je dit. Gelukkig kreeg ik een tip dat er voor de Pietersbergtrail nog startbewijzen waren. Zo ging de reis zondag niet naar Wissant maar naar Maastricht.

Dat die Trail Cote d’Opale niet doorging bracht in Noord-Frankrijk bijna een volksopstand teweeg. Heel veel gepikeerde deelnemers liepen afgelopen weekend toch over de parkoersen en de sociale media ontploften bijna van verontwaardiging. Duizenden reacties op allerlei berichten verschenen er. De ene natuurlijk wat genuanceerder dan de andere. Ze gingen over appels, peren, knollen, citroenen, zure druiven, spek, bonen, gebakken peren, boter op hoofden, rotte appels, vlees, vis, kaas, brood, gare rapen, rotte vis, enzovoorts.

Dat de trail werd afgelast kon zo hier een daar nog wel op begrip rekenen. Het aantal besmettingen (covid 19) was de dagen daarvoor in Pas de Calais snel toegenomen. Maar dat andere evenementen wel gewoon doorgingen, dat maakte veel reaguurders woedend. Wat mij betreft terecht. In Bethune, in hetzelfde district, mocht deze autorally wel doorgaan. Het publiek stond gezellig bij elkaar, geen politieagent te zien. Zie het filmpje.

Misschien ook goed om te weten dat zondagmorgen foutparkeerders in Wissant en omgeving massaal op de bon werden geslingerd. Niet ver daar vandaan werd de voetbalwedstrijd Lille-Metz gevolgd door een paar duizend toeschouwers. Die deden ongestraft van alles wat niet mag: zingen, spreekkoren aanheffen, juichen. Allemaal gevaarlijke activiteiten in verband met besmetting (covid 19). Bij de Trail Cote d’Opale waren juist allerlei maatregelen genomen om besmettingen te voorkomen. Een ruimere startlocatie, ruimere parkeerplaatsen, een lange brede weg na de start, verplicht dragen van mondkapjes, gereguleerde tijden voor het ophalen van startnummers, starten in kleine groepen, minder drankposten, verbod om supporters mee te nemen, geen huldigingen.

Ik heb begrip voor allerlei maatregelen om het virus (covid 19) in bedwang te houden. Maar niet op deze manier. Mensen begrijpen het niet als ze zelf niet eens onder strikte voorwaarden mogen hardlopen terwijl vlakbij publiek hutje mutje naar race-auto’s staat te kijken. Zo komen de complottheorieën vanzelf.

Bij Maastricht ging de Pietersbergtrail gelukkig wel gewoon door. Dat er daardoor geen 62 kilometers maar ‘slechts ’32 op het menu stonden, was gezien de staat van mijn rug eigenlijk helemaal niet zo erg. Over de Pietersbergtrail heb ik al eerder geblogd, altijd in positieve bewoordingen. Mooi parkoers, goed georganiseerd. Dit keer werd bij binnenkomst je temperatuur gecheckt, waren er voor het ophalen van startnummers aparte looproutes en gingen de eerste vier kilometers over wat bredere wegen door de krater van de mergelgroeve. En er was er een aangepaste start (allemaal covid 19).

Bij het vertrek zouden om de vijf seconden steeds vijf deelnemers starten. Dat was een lachertje.

Let op op het commentaar van de starter aan het eind van het filmpje en op de reacties op facebook. Nou, ik was er WEL bij, ben als een van de laatsten gestart en heb de hele procedure dus lang en goed kunnen bekijken. Er deugde geen ene jota van. Ik vind het ook stom van de organisatoren om dit filmpje op Facebook te zetten. Ze kunnen er als de pandemie nog niet voorbij is (covid 19) bij vergunningaanvragen flink mee om de oren worden geslagen.

Verder geen klachten, al was het jammer dat we niet over Belgisch grondgebied mochten (covid 19) en daardoor twee identieke rondjes moesten lopen. Eindelijk weer eens getraild, het was een gezellige dag en wie weet komend er volgend weekend nog eentje bij. Dan ligt het in de bedoeling om met mijn neef Martijn een trail in de Ardennen te lopen. We hebben het er al jaren over om samen eens ergens te lopen en nu gaat het er, ijs en weder dienende (covid 19), toch echt eens van komen.

En dan nog iets heel anders. Pieter heeft een prachtig gedicht over een potlood geschreven. Heeft niets met (covid 19) te maken. Ja, echt. Dat kan!





koh-i-noor hb

je eindeloze verlangen naar de puntenslijper
met zijn zessen in een kartonnen doosje
tussen de b2 en de h2
altijd het mannetje met de stofjas achter de toonbank
die moderne dingen levert
altijd het rinkelende belletje van de kassa
maar niet voor jou

wachtend op de schrijvende hand
alle woorden die er al zijn
in alle talen ook cijfers en hiëroglyfen
ze popelen om losgelaten te worden
je bevat het hele universum en al het leed van de wereld
alle liefdesbrieven en alle schetsen van de schilder

stel een meisje
jouw punt op het papier in haar dagboek
en de woorden die maar blijven komen
jouw grafiete woorden over haar toekomstdromen
tranen vervagen jou

jij berg van licht met je zwarte kern
met je onbegrensde mogelijkheden
het hele universum ligt voor je open

of een wiskundige die verdergaat dan e=mc2
en dit noteert
de nobelprijs ontvangend met jou in zijn binnenzak
je staat dan toch maar mooi op het podium

of een dichter
die een prachtig sonnet schrijft
over innerlijke vergezichten en ander moois
verrukt over de woordenstroom
de pers lovend

of een schaakgrootmeester
de notaties van de wereldberoemde partij
later van commentaren voorzien als facsimile uitgave
transformatie

of een componist
de noten slordig op de lijn plaatsend
de tempoaanduiding doorgehaald en opnieuw
eeuwige roem in klank

of de bevindelijk gereformeerde dominee
uitroeptekens in de kantlijn van de preek zettend
waar zijn vibrato moet aanzwellen

of de wereldberoemde atleet
die zijn nieuwe marathonrecord vet onderstreept
in zijn dagboek schrijft

of een kolenboer die je punt likkend
het afgeleverde mud noteert
en jou gedachteloos met zijn zwarte hand
achter zijn oor klemt

pieter

De Bouillonnante

In 2018 liep ik al eens de Bouillonnante, dus wist ik zaterdag wat me bij mijn twee deelname zo ongeveer te wachten stond. Het eerste deel van het 50 kilometer lange traject door de Ardennen zou redelijk gemakkelijk zijn, maar het tweede deel des te moeilijker. Onderweg hoorde ik iemand praten over een uitdagend parkoers. Zelf zou ik enige stukken willen betitelen met de term ‘gekkenwerk’. Het kostte me letterlijk bloed en zweet om te finishen. Maar ik heb niet gehuild.

In het kasteel voor de start

Voor de start vanuit het hoog boven Bouillon gelegen kasteel werden door de wedstrijdleiding nog wat lastige punten op het parkoers doorgelopen. We zouden twee keer het riviertje de Semois oversteken, we zouden enkele zware klimmen en gevaarlijke afdalingen voor de kiezen krijgen (soyez prudent!) en we zouden door een grot lopen. Daar moesten we bukken. Dat was nieuw voor me. Die grot kwam in 2018 nog niet in het parkoers voor. Maar goed, wel leuk zo’n grot. Ik kon me niet herinneren ooit door een grot getraild te hebben.

Hoog boven onze camping

Alle lastige hindernissen overwon ik met boter en suiker, maar juist in die grot vond ik bijna mijn Waterloo. Ze hadden voor de start nog zo duidelijk gezegd dat je er goed moest bukken en voor de ingang (zo’n 27 kilometer na de start) gaven twee vriendelijke heren nogmaals duidelijk aan dat het plafond zo hier en daar aan de lage kant was. Bukken dus. Bukken deed ik aanvankelijk ook, maar toen ik dacht te zien dat een paar voorgangers weer stoer rechtop gingen lopen, kwam ook ik overeind. Te vroeg!

Natuurlijk heb ik veel vaker mijn hoofd gestoten, maar deze klap komt zeker terug in mijn persoonlijke topdrie. De bril vloog van mijn hoofd, een bidon viel op de grond en niet veel later zat ik op mijn knieën. Even dacht ik dat het licht uitging, maar dat viel mee. Wel stroomde er wat nattigheid in mijn ogen en dat bleek bloed. Een half minuutje rust bracht me de conclusie dat het allemaal wel meeviel. Niet duizelig, niet misselijk, alleen een beetje pijn in mijn kop. En wat bloed, dat was alles.

Er was op sommige plaatsen veel publiek

En, raar maar waar, deze kopstoot had ook nog een positief effect. Moest ik voor de botsing na elke 20 passen mijn bril weer hoger op mijn neus duwen omdat hij mede door het zweet steeds richting puntje gleed (bij mij is dat nog een flink traject), nu bleek dat niet meer nodig. Hij zat plotseling als gegoten.

Gelukkig stond er niemand bij de uitgang en kon ik mijn weg ongestoord vervolgen. Zo af en toe spoelde ik met water uit mijn bidon mijn hoofd schoon, vooral als er medelopers of mensen langs de kant vroegen of het wel goed met me ging. Het ging prima. Uit ervaring weet ik dat een bloedend hoofd er zwaar gewond uit kan zien, terwijl er weinig aan de hand is. Bij de volgende drankpost, na km 36, moest ik al mijn overredingskracht gebruiken om de hulp van de EHBO vriendelijk doch dringend af te slaan. Ik wist: als zij een prooi te pakken hebben dan laten ze niet snel meer los.

Steile afdaling

De lastigste hordes kwamen pas daarna. Net na die bevoorraading heb je ‘The Wall’, een klim met een gemiddeld stijgingspercentage van 33,7% over een lengte van 450 meter. Voor de slechte rekenaars onder ons: dat is een hoogteverschil van 153 meter. Ik deed er bijna 13 minuten over, goed voor een gemiddelde snelheid van iets meer dan 3 kilometer per uur. Bij een hartslag van ver boven de 150. U zult begrijpen, tijdens zo’n exercitie doe je wel een jasje uit.

Het begin van The Wall

Voor de minstens even steile afdaling die volgde had je touwen en ladders nodig. Wat daarna kwam, was ik even vergeten. Ik moest mijn toch wel behoorlijk uitgeputte lijf op de een of andere manier toch weer een metertje of 70 een loodrechte muur op zien te hijsen. Dat lukte, maar vanaf toen zag de wereld er toch een beetje anders uit. De laatste klimmetjes werden met snelheden van minder dan 3 kilometer per uur aangevallen. En dat waren er nog heel wat.

De eerste oversteek van de Semois

Na 8 uur en 11 minuten was ik teruggekeerd voor de poorten van het kasteel van Bouillon. Ik vond het ondanks het trage laatste stuk lang niet slecht, want in 2018 deed ik er ruim een half uur langer over en toen werd ik niet derde bij de mannen 60+. En wat ook wel fijn was: in de spiegel van de camping waar ik met mijn meisje onze tent had opgezet, zag ik weliswaar een enorme buil op mijn voorhoofd, maar ook een niet al te grote schaafwond.

De Manneken Pis-trail

Toen Johan de Vlieger me voorstelde om aan de Manneken Pis-trail mee te doen, dacht ik dat we naar Brussel zouden gaan. Dat was een misverstand. Niet alleen Brussel heeft een standbeeld van Manneken Pis, Geraardsbergen heeft er ook een. En wel al sinds 1459. Zo zie je maar, trailen is niet alleen heel erg leuk, het is ook behoorlijk leerzaam.

Op de top van de Kapelberg

Wie aan Geraardsbergen denkt, denkt onmiddellijk aan de Muur. Zeker als je een wielrenliefhebber bent. De Muur is een icoon in het wielrennen, een scherprechter van hier tot heel ver weg. Elke wielerwedstrijd die ook maar een beetje in de buurt van Geraadsbergen komt, moet over de Muur. Daar zie je de heroiek van het wielrennen. Daar valt negen van de tien keer de beslissende slag. De Manneken Pis-trail is weliswaar geen wielerwedstrijd, maar moet er natuurlijk ook over.

Eindelijk weer eens een trail. In mijn oneindige ambitie om in oktober te schitteren in de Kustmarathon en de Transvulcania, deed ik eerder in september al mee aan de 15 van Wolphaartsdijk en de Heinenoordtunnelloop. Twee nuttige en leuke wegwedstrijden, maar ze halen het wat mij betreft in de verste verte niet bij een leuke trail. En de Manneken Pis-trail was er zo een. Gemoedelijk, gezellig, niet al te zwaar maar wel heel mooi.

Johan koos voor de 15 kilometer. Ik wilde wat verder en koos voor de verste afstand, de 25km. Wat betreft de Muur maakte dat niet uit. Na de start op de atletiekbaan van Geraardsbergen ging het meteen heuvelop, richting Muur. Al na 2 kilometer draaiden we de kasseien van het wielermonument op. De hele aanloop, die naar mijn bescheiden mening minstens even zwaar is als dat laatste stukje over de kasseien naar de top van de Kapelberg, sloegen we over.

Tijdens dat stukje van pakweg 300 a 400 meter omhoog, werden we links en rechts begeleid door amateurwielrenners. Dat was soms een beetje linke soep want er waren er bij met nogal weke beenspieren, waardoor ze slingerend de weg omhoog kozen. Tijdens dat korte tochtje heuvelop bedacht ik dat wielrennen in vergelijking met trailen eigenlijk niet veel voorstelt. In de wielrennerij wordt al hoog opgegeven als je tijdens een rit 4000 hoogtemeters moet maken. De gestaalde kaders van de trailwereld moeten daar om lachen. Zij draaien hun hand niet om voor het dubbele aantal hoogtemeters. En dat niet over fraai aangelegde asfaltwegen, maar over bijna onbegaanbare geitenpaden. Zowel bergop als bergaf.

Met die conclusie in het achterhoofd kon ik al bijna aan de afdaling van dit eigenlijk onbetekenende puistje beginnen. Nog even rond de Kapel en hoppa, het mooiste stukje van de Manneken Pis-trail lag al achter ons. Je kan het maar gehad hebben. Via allerlei landweggetjes ging het richting Bosberg. Samen met de Muur was die vroeger de scherprechter in de Ronde van Vlaanderen. Na de Muur en de Bosberg lag de finish een kilometer of 15 verder in Ninove. Tegenwoordig is dat anders. Deze twee monumenten van het wielrennen worden al een paar jaar niet meer aangedaan in de Ronde.

Die Bosberg is een merkwaardig ding. Het is eigenlijk niet meer dan een rechte weg die een paar honderd meter behoorlijk steil omhoog loopt. Hij is bekleed met kasseien. Aan de andere kant gaat hij op dezelfde manier naar beneden. Wij mochten de Bosberg via een bospaadje nemen, met zo af en toe een korte blik op de kasseien. Aan het eind ging het voor de 15 kilometer linksaf, wij moesten rechtsaf.

Johan en ik vroegen ons onderweg naar Geraardsbergen af of het verstandig zou zijn om trailschoenen aan te doen. Johan, die al eens eerder had meegedaan, dacht dat het niet nodig zou zijn, ik dacht gezien het slechte weer deze zomer van wel. We kregen allebei gelijk. Het traject van 15km bleek goed begaanbaar, op mijn parkoers had je op een paar stukken bij wijze van spreken lieslaarzen nodig. Na de afslag op de Bosberg zakten we af naar een natuurgebied rond het riviertje de Mark. Daar kon je eigenlijk gewoon het best het midden van het pad kiezen, daar waar je het diepst in de modder zakte. De zijkanten waren onneembare glijbanen. In het midden had je nog wat steun, maar wel met het gevaar dat de modder je schoenen inliep. Dat moest dan maar.

Het tweede deel van de trail was aanmerkelijk makkelijker dan het eerste. We kregen nog maar één lastige, behoorlijk modderige klim voor de kiezen. Aldaar moest ik natuurlijk nog even kennismaken met de weke ondergrond. Gelukkig zat er nog wat water in mijn bidon, waardoor ik in elk geval mijn handen nog een beetje kon schoonspoelen. Desondanks liep ik dat laatste stuk behoorlijk lekker, al zeg ik het zelf. Na 26 kilometer in iets meer dan 2,5 uur werd ik op de atletiekbaan opnieuw verwelkomd door de charmante speakster: ‘Ha, daar hebben we Koen weer. Uit Nederland!’ De eerste plaats in mijn leeftijdscategorie (Vet 3) was binnen. Dat zei echter niet zo veel want de concurrentie was gering. Volgende week wordt het andere koek. Dan staat de Bouillonnante op het programma: 50 kilometers met 2850 hoogtemeters.

De trail zat erop, maar de dag nog niet. Johan stelde voor om nog even de Muur op te wandelen om daar op het terras van het café een biertje te drinken. Het was er een drukte van jewelste. Honderden wielerfans waren er in afwachting van twee doorkomsten van de Brussels Classic, een profkoers die rechtstreeks door de VRT werd uitgezonden. We waren nog niet boven of een helicopter maakte converseren onmogelijk en even later denderden goedbetaalde wielerprofs langs ons terras. Toen het bier op was en het tijd werd om weer af te dalen, kwamen ze opnieuw langs.

In de gauwigheid herkende ik Remco Evenepoel, volgens kenners het grootste Belgische wielertalent sinds Eddy Merckx, en ook veteraan Philip Gilbert was duidelijk in beeld. Bij thuiskomst zag ik dat de Brussels Classic een bijzondere ontknoping had gekregen. Een deel van de kopgroep van zeven die op weg was naar de finish in Brussel koos de verkeerde afslag. Wat dat betreft hebben wielrennen en trailen wel een overeenkomst. Vijf gingen naar rechts, twee naar links. Die vijf waren op slag kansloos. Evenepoel, die uit de buurt komt, ging de goede kant op en won.

Remco Evenepoel op de Muur

Tot slot weer een gedicht van Pieter. Niet over een trailloper maar over Carlos Lopes. Een van de beste marathonlopers ooit.

Carlos Lopes

de deur is door hem opengezet
ik zag een nieuw toekomstperspectief
het veranderde mijn bestaan
onomkeerbaar – zeker

een dag om nooit te vergeten
hij won de marathon van Rotterdam
er kwam nieuw record op de kerfstok van de tijd
2.07.12

de manier waarop hij dat deed was van
een bovennatuurlijke orde
althans zo heb ik het ervaren
een ijkpunt in de tijd

hij is een gemotiveerde jager
en weet donders goed hoe de hazen moeten lopen
20 kilometer is voldoende
strakke lijnen – korte bochten

een enorm bovenlijf als blaasbalg
die zijn benen van zuurstof voorziet
zijn fluwelen voeten strelen het asfalt
een balletdanser zonder muziek

zijn passen zijn lang en zijn snelheid hoog
zij vormen een economische golfbeweging
de aardbol draait vlot onder hem door
het lijkt wel of hij zweeft

het is een prachtig beeld
om nooit te vergeten
22 kilometer eenzaam in gevecht met de klok
de bestaande tijd kantelt langzaam

zijn gezicht straalt een doelbewuste focus uit
en toch zien we een serene rust
het is een oogstrelende beweging
een paradox die het volmaakte lopen bevestigt

na de finish heeft hij zich in mijn hersens genesteld
ik ben hem nooit meer kwijt geraakt
hij was meer dan een geweldige atleet
een stimulans in mijn beleving over hardlopen

ik kreeg een ander bewustzijn :
de schoonheid van het rennen
en de ervaring van de bewegingen
vervolmaken ons bestaan

de deur is nooit meer dicht gedaan

muchas gracias Carlos
nunca te olvidaré

pieter

Rondje Oosterschelde

Rondje Oosterschelde

Jaarlijks organiseert Leonie Ton een Rondje Oosterschelde. De eerste zondag van juli is de start voor het roemruchte café De Kroon in Wissenkerke. Vanaf daar gaat het via Colijnsplaat en de Oosterscheldebrug linksaf Schouwen op, en dan over de Stormvloedkering terug naar Noord-Beveland, terug naar De Kroon. Als ik kan doe ik graag mee. Het Rondje Oosterschelde, goed voor een kleine 60 kilometer rennen, is voor mij een soort van wake-upcall. De vakantie zit er dan meestal net op en ondanks tal van goede voornemens wordt lichaamsbeweging in die periode tot bijna nul gereduceerd. Ook dit jaar gingen de mountainbike en loopschoenen mee in de auto, maar kwamen ze er pas na terugkomst voor het eerst weer uit.

Ik was buitengewoon blij dat tijdens de vakantie Ronald Willemsen belde, met het voorstel om het rondje met zijn tweeën aan te vallen. Voor alle duidelijkheid, de een lopend, de ander fietsend en dat afwisselend. Eerlijk gezegd zag ik nogal tegen die zestig kilometers op, mede omdat ik een poosje geleden werd getrakteerd op een blessure die veel weg heeft van een runnersknee. De helft van zestig leek me veel aantrekkelijker. Bovendien is het met Ronald altijd gezellig.

Omdat de organisatie van het Rondje Oosterschelde in verband met corona een beetje lastminute-werk was, was de opkomst niet overweldigend. Als ik goed geteld heb waren we met zijn twaalven. Dat maakte niet uit, alles bij elkaar was het een gezellig clubje. Het startsignaal werd volgens de traditie gegeven door Leah, de dochter van Leonie. Deze keer met een haperend fluitje.

Het was weer een heerlijk rondje, met bijna overal die prachtige Oosterschelde als trouwe bondgenoot aan je linkerhand. En dan hebben we het nog niet gehad over de doorgang door Zierikzee, de Flauwers inlagen, de plompe toren van Koudekerke en de Stormvloedkering. We waren amper vijf kilometer op pad of de begeleider van de enige Belgische deelnemer haalde zijn telefoon uit zijn broekzak omdat hij overweldigd werd door de prachtige natuur. Die moest worden vastgelegd. Tegelijkertijd nam hij een doortastend besluit. Deze zomer nog zou hij met zijn vrouw op vakantie gaan naar Zeeland.

De eerste dertig kilometers waren snel voorbij, mede dankzij de snelle bevoorrading van Leny Ton en Karin de Rijke in Zierikzee. Toen we na Zierikzee de zeedijk richting Burghsluis op draaiden, herinnerde ik me de martelgang van de vorige keer opeens weer. Het waaide, wat zeg ik, het stormde toen verschrikkelijk, kracht 8 a 9. De man van Sylvia Verhoeven, die vanaf de fiets haar van koek en zopie voorzag, kon het daar amper bolwerken. Fietsen was nog zwaarder dan hardlopen. Dit keer stond er geen zuchtje wind. De windmolens hadden een dagje vrij. Maar wel dreigde er onweer en regen, en wie weet ook een hard aanwakkerende wind. De voorspellingen van Buienradar waren niet voor de poes.

Inderdaad werden we vlak voor Burghsluis op een buitje getrakteerd en druppelde het op Noord-Beveland nog een beetje na, maar daar bleef het bij. Het ergste dat ons overkwam, was een lekke band. Net na de Roompot, met nog een kilometer of 7 te gaan, stond de achterband plat. Terwijl de hardloopreserves een eind op waren, moesten Ronald en ik nu allebei met de benenwagen verder. Met de fiets tussen ons in, afwisselend voortgeduwd door Ronald en door mij, ging het puffend en steunend richting Wissenkerke. Ondertussen oefende Ronald op het formuleren van excuses, want het was de fiets van zijn vrouw die we hadden meegenomen.

Met enige vertraging keerden we bij De Kroon terug, als allerlaatsten van het gezelschap. In het café ontwaarden we grote glazen bier, drie dames hadden zich na hun zware inspanningen getrakteerd op appeltaart met een grote dot slagroom. Wat zag dat er allemaal lekker uit. Het duurde niet lang of de ober kon nog een flinke bestelling noteren. Het was weer een perfecte dag, met alles erop en eraan. Bovendien was de vakantieluiheid met boter en suiker weggespoeld en had mijn knie zich keurig netjes gedragen.

Leonie, hartelijk dank voor de organisatie, Leny en Karin dank voor de bevoorrading, Ronald dank voor de gezelligheid. En hopelijk tot volgend jaar.

De Grandtrail des Lacs et Chateaux

Toen in den beginne de blessures aan de hardlopers werden uitgedeeld, stond ik waarschijnlijk niet vooraan. In de 17 jaar dat ik nu hardloop, ben ik maar twee keer wat langer uitgeschakeld geweest. Maar ik denk dat ik toen toch een foutje heb gemaakt. Toen het over de runner-knees ging, heb ik denk ik nietsvermoedend mijn vingertje opgestoken. Een runners-knee, welke ambiteuze hardloper wil zo’n ding nou niet? Zaterdag werd ik voor de tweede keer in mijn carrière geconfronteerd met die fout. Na 41 van de 85 kilometers van de Grandtrail des Lacs et Chateaux moest ik opgeven. De pijn in mijn knie was niet meer te harden.

De start op de skiberg

Lees verder De Grandtrail des Lacs et Chateaux

De Transgrancanaria

Je nummer kon je alleen op afspraak ophalen, bij de start op een kaal voetbalveld moest je een mondkapje op, op anderhalve meter afstand van je concurrenten staan en kon je pas vertrekken als je door de starter was aangetikt. Bij de drankposten moest je opnieuw je mondkapje op en na de finish (mondkapje op!) waren er geen na-betrachtingen of prijsuitreikingen. Meteen naar huis was het devies. Publiek was er ook al niet. Ja, de Transgrancanaria moest en zou doorgaan, maar dan wel zonder toeters en/of bellen. En met maar de helft van het normale aantal deelnemers.

Ik was er voor de zesde keer bij en heb er ook nu weer, ondanks alle corona-soberheid, enorm van genoten. Gran Canaria heeft voor Jan met de pet het imago van zon- en feesteiland maar het is zo veel meer. Het binnenland is schitterend. Je hebt er schilderachtige dorpjes en kunt er geweldig wandelen en trailen. Daarvoor is wel wat conditie nodig, want het landschap is zo hier en daar behoorlijk ruig. En ook als je de ruigte voorbij bent, vindt de organisatie altijd nog wel een route die veel van je vraagt. Ook dit jaar mochten de lopers met de finish in zicht, met de bergen achter de rug, nog even gezellig een kilometer of zes door een droge beek met loeiers van keien en rotsblokken.

De start

De start van mijn trail, Transgrancanaria Advanced genaamd en over een afstand van 65 kilometer, is de laatste jaren in Artenara. Dat is het hoogstgelegen dorp op het eiland (ca.1200 meter), ergens in het noorden. Het daar ’s morgens vroeg altijd een beetje bibberen. Warmer dan 10 graden heb ik het daar nog niet meegemaakt. Als je de eerste berg hebt overwonnen en naar het volgende dorpje (Tejeda) bent afgedaald, belandde je de afgelopen jaren steevast in een braadpan waarin de temperatuur gaandeweg alleen maar verder werd opgestookt. Ik kreeg daar altijd enorm veel last van de twee heftige h’s: hitte en hoogte.

Van Tejeda gaat het 800 meter omhoog naar de befaamde Roque Nublo, die ik ondanks zijn angstaanjagende naam nooit en te nimmer in de mist heb mogen aanschouwen. Daar arriveerde ik meestal als een gebraden kip, en dan was er nog niet eens 20 kilometer afgelegd. Wil je je drankvoorraad aanvullen, dan dien je vanaf daar nog 5 kilometer door te stijgen en dalen over bijna niets anders dan rotsen en keien naar El Ganaron, een verzameling blokhutten in een dennenbos. Het is daarna nog een meter of 100 stijgen voordat je je eindelijk kan verkneukelen over een iets makkelijker en soms ook koeler stuk. Een hele lange, technische afdaling richting volgende drankpost.

Dit jaar was het allemaal een stuk minder uitputtend. Althans voor mij. De hemel is geprezen dat ik op de wedstrijddag om 5 uur ’s morgens al zo wakker was om nog even mijn mailbox te openen. Daarin zat een bericht van de organisatie met de waarschuwing dat het dit jaar nogal koud was in de bergen. Slechts een paar graden boven nul met mist en regen. Daardoor kon ik op de valreep een extra trui in mijn camelbag proppen, Die bleek ik broodnodig te hebben. Na een hectische afdaling door de blubber naar Tejeda – bijna op de tast omdat ik door de regendruppels op mijn bril slechtziend was geworden – was het daar nog steeds bibberdebibber-achtig koud. En tijdens de klim naar de Roque Nublo betreurde ik het dat ik geen handschoenen had meegenomen. Ja, nu zag ik hem voor het eerst, de Roque Nublo in de mist. Zoals het hoort.

In El Ganaron kon ik de inwendige mens opwarmen met hete thee en koffie en een bordje pasta met saus en kip. Van de daaropvolgende klim naar het hoogste punt van de trail herinner ik me uit vorige edities lopers die daar om hun moeder riepen omdat ze het niet meer zagen zitten vanwege de twee heftige h’s. Die waren er deze keer niet. Het enige lastige was dat de trailschoenen weinig grip hadden in de dikke modder. Pas na een kilometer of 35, halverwege de afdaling naar San Barthelomé de Tirajana (ook wel Tunte genoemd) kon ik mijn regenjasje uittrekken en even later ook mijn trui. Eindelijk kon ik in mijn nieuw verworven, ik vind prachtige OTSO-shirtje verder gaan.

De bevoorrading in Tunte was helaas niet op het sfeervolle dorpsplein maar op een afgelegen voetbalveld. Ook hier dus weinig publiek. Jammer, want een eenzame trailloper kan na een uur of zes rennen wel een klein schouderklopje gebruiken. Te meer omdat je weet dat er in verband met een parkoerswijziging een extra klim wacht met daarop een helse afdaling. Die klim was er inderdaad, maar die helse afdaling tot mijn onuitsprekelijke vreugde niet. Een paar jaar geleden was ik daar op mijn plaat gegaan, met als resultaat een pink in een ietwat afwijkende richting en een diepe vleeswond. Die nieuwe afdaling was weliswaar een stuk langer, maar ook breder, minder rotsachtig en veel geleidelijker. En zonder diepe afgronden.

Een snelle rekensom leerde me bij de voorlaatste bevoorrading in Ayagaures dat ik in vergelijking met het jaar ervoor al 90 minuten sneller was. Bovendien voelde ik me een stuk lekkerder. Toen overwon ik de laatste berg nog redelijk eenvoudig, maar moest ik daarna ik de beek plaatsnemen op vele keien omdat mijn maaginhoud de wereld wat beter wilde leren kennen. Niets van dit alles dit keer. Zelfs op dit geniepige stukje aarde kon ik aardig tempo maken. Vooral omdat het nog licht was. Met een lamp op je kop, hoeveel lumen er ook op mogen zitten, zie je minder scherp. Ook al omdat het stof dat je voorgangers hebben opgeworpen het uitzicht belemmert.

Pas bij de eerste bebouwing van Maspalomas moest de hoofdlamp uit de tas en na een kwartiertje kon hij al weer uit. De finish was bereikt. In 10 uur en 50 minuten, ruim twee uur sneller dan in de martelgang van vorig jaar. In een vlaag van plotselinge euforie vatte ik het plan op om volgend jaar eens de Transgrancanaria Classic te proberen. Die gaat over een afstand van 129 kilometer. Retezwaar natuurlijk, maar je mag er ook lekker lang over doen. Dat idee heb ik snel verworpen. Het is veel te ver voor mij, zeker omdat het met mijn ruggetje niet helemaal crescendo gaat. Eigenlijk was dit een ultieme test: doorgaan met lange trails of stoppen? De neuroloog bezigde na het bekijken van de mri’s van mijn rug termen als artrose, stenose en skoliose.

Daar wordt de gemiddelde patiënt niet vrolijk van en zo iemand ben ik ook. Gelukkig gaat het met een enkel pijnstillertje en de hulp van een hele goede fysiotherapeut nog behoorlijk goed met al die -oses en de conclusie is dan ook dat ik voorlopig lekker kan doortrailen. Dat is verreweg de grootste winst van Transgrancanaria numero 6. Dat ik nota bene de snelste in mijn leeftijdsklasse was (mannen 60+), was in deze context daarom alleen een heel leuk bijverschijnsel. Te meer omdat er slechts vijf leeftijdsgenoten over de finish kwamen.

Laat de volgende trail maar snel komen. Ik ben echter bang dat dat nog wel even zal duren. Corona is nog lang niet de hele wereld uit. De organisatie van de Transgrancanaria wilde wel heel erg graag. Kosten noch moeite werden gespaard en bovendien werkten de plaatselijke autoriteiten heel erg mee. Een echt veilige trail organiseren is in deze omstandigheden natuurlijk een illusie, alhoewel de besmettingsgraad op de Canarische Eilanden een stuk lager ligt dan bij ons. Natuurlijk was er zo hier en daar publiek en natuurlijk kon er bij bijvoorbeeld de bevoorradingen geen anderhalve meter afstand worden gehouden. Wat écht niet goed was, was het busvervoer naar de start. In mijn bus zaten dacht ik 64 stoelen. Die waren alle 64 bezet. En dat terwijl het openbaar vervoer in Spanje slechts de helft van het maximumaantal passagiers mag vervoeren…

The Great Escape

Dit moet een positief verhaal worden. Vorige week stelde ik enkele van mijn lezers teleur met mijn blog over de Pietersbergtrail. Er stonden een paar kritische zinnen in over de startprocedure en dat kon natuurlijk niet! Ook al was het zo, daar schrijf je daar natuurlijk nooit over. Dit blog gaat over The Great Escape. Het zal me geen enkele moeite kosten om in juichtermen te communiceren want ik had een topdag. Mijn lijf voelde als een paard dat geen hindernis te hoog vond. Na minder dan 13,5 uur was ik terug op de basis met ruim 81 vaak loodzware trailkilometers achter de kiezen. Neef Martijn, die nog nooit zover getraild had, finishte een klein uur eerder. Hieperdepiep hoera!

The Great Escape maakt deel uit van een serie van vier trails die in het leven is geroepen door een paar ultra-gekken (dat is positief bedoeld!) die trailers wel eens echt aan de tand wilden voelen. Nou, dat kunnen ze goed. Martijn en ik liepen zondag 81 kilometer (50 mijl), maar er was ook een trail van 100 mijl. Ruim 160 kilometer dus. Wil je er meer over weten, kijk dan deze prachtige documentaire: http://www.whenheroesbecomelegends.com/when-heroes-become-legends-dutch-subtitled/ Ik ben bij trails al heel wat vriendelijke, behulpzame mensen tegengekomen. Die van de Legends Trails (zo heet de organisatie) staat voor mij met stip op 1. Alles perfect geregeld, overal onbaatzuchtige hulp van een leger vrijwilligers. Nergens zo in de watten gelegd als bij The Great Escape.

Ik begon met enig voorbehoud aan de trail. De start was om 0.00 uur, wat een nachtje slapen overslaan betekende. Op Facebook zag ik foto’s van het parkoers. Loodrechte rotswanden met touwen eraan. Steile klimmen en afdalingen met kettingen. Het leek me niet dat je zoiets al te vaak op een parkoers van 81 kilometer moest tegenkomen. Later begreep ik dat de naam The Great Escape afgeleid is van de Escapardenne, een trail die ik ooit liep. De twee parkoersen overlappen elkaar een kilometer of 30. Wat ik me ervan herinner is dat ik na de finish van pure ellende een halfuurtje op een bankje gehangen heb. Maar ook dat ik de hoofdprijs in de loterij won.

Eerlijk gezegd was ik bang dat ik de zogenaamde cut-off-tijden niet zou halen. Je moest een gemiddelde van minimaal 5 kilometer per uur halen, anders werd je uit koers gehaald. Onderschat dat niet. Vijf kilometer is weliswaar wandeltempo, maar als je veel moet klimmen en dalen en maar weinig kunt hardlopen dan komt die gemiddelde snelheid al snel in de buurt.

Martijn heeft er zin in

Voor de start bij Houffalize kregen we instructies van een man die uitbundig aan een sigaretje aan het lurken was. Daarna werden de longen opnieuw op de proef gesteld. Na het vertrek denderden we naar beneden, naar de Ourthe. Omdat ik, bescheiden als ik ben, achteraan startte, moest ik door een enorme stofwolk. Kenners weten het: stof en lamplicht maken heel slecht zicht.

Na een paar kilometer waren de rode achterlichtjes van mijn voorgangers al uit het zicht. Ik snapte er niks van. Hoe kan je in een trail van 81 kilometer over zo’n technisch terrein zo hard van start gaan? Waren dit allemaal toplopers? Of lag het aan mij? Had ik op mijn 63e de snelheid van een hoogbejaarde? Gelukkig bleek het eerste waar. In de uitslag zie ik dat slechts één van al die supersnelle vertrekkers me voorgebleven is.

Dat stuk langs de Ourthe duurde 26 kilometer. Na 26 kilometer klimmen en klauteren, afdalen op je kont, spingen, huppelen, break- en limbodansen, laveren om rotsen, boomwortels, takken en keien te ontwijken en om geen natte poten te krijgen, had ik een gemiddelde van 6 kilometer per uur op de teller. Oftewel een uurtje voorsprong op het langzaamste tijdschema. Daarna liep ik fout, maar omdat het terrein een stuk makkelijker werd, ging het gemiddelde lekker omhoog. Tussen post 2 en 3 liep ik helemaal alleen. Tweeënhalf uur door het windstille, donkere bos, midden in de koele nacht. Ik vond het een fantastische ervaring. Tussen je eigen gehijg en geslof door hoorde je helemaal niets van welke menselijke ‘beschaving’ dan ook. Soms hoorde je een uil of een andere onbekende vogel. Of een opgeschrikt beest (er schijnen nogal wat wilde zwijnen in die bossen te zitten). Bijna alleen op de wereld.

Het barst van de bevers in de Ourthe

Om half 7 begon het langzaam licht te worden. Langzaam begon je te zien door wat voor landschap je aan het rennen was. De hoofdlamp kon uit. Bij post 3 (na 43 km) werd je heerlijk in de watten gelegd. De vrijwilligers gedroegen zich als obers met knipmessen. Of ik misschien een glaasje cola beliefde? Moesten de drinkbussen wellicht bijgevuld? Of meneer soms een wrap wilde? Ja? Met hesp misschien? Of met kaas? Had meneer misschien nog op andere wijze hulp nodig? Helpen bij het verwisselen der schoenen wellicht?

Ik was waarschijnlijk nog onder de indruk van al die hoffelijkheid, want ik was het belendende dorp nog niet uit of ik liep verkeerd. Nee, beste lezertjes, dit is geen verwijt aan de organisatie! Het was eigen schuld. Ik was aan het appen en miste daardoor twee overduidelijk zichtbare routemarkeringen. Het kostte me een kwartier en een hoop positieve energie. Gelukkig kon ik snel aanhaken bij een lekker snel groepje en ging het met gezwinde spoed naar post 4, 20 kilometer verderop.

Die vierde etappe betekende van kilometer 43 tot en met kilometer 63 kilometer volop genieten. Om de een of andere reden kon ik blijven gaan. Omhoog of omlaag, hard of zacht, mijn benen deden zonder protest wat ik van ze verlangde. Voor ik het wist was post 4 daar. Wat ook fijn was, was dat mijn maag meewerkte. Bij zware inspanningen wil die de pijp nogal eens aan Maarten geven. Daar was nu geen sprake van. Het leek of er een engeltje over mijn tong pieste toen ik een halve liter cola naar binnen werkte. Twee hotdogs met mosterd gaven de smaaksensatie van kaviaar.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

‘Nog tweeënhalf uur en dan zijn we er’, zeiden wat lopers tegen me toen we samen vertrokken voor de laatste etappe. Nog 18 kilometer te gaan. Dat moest kunnen. Om half één terug bij Houffalize, inplaats van de gevreesde sluitingstijd van 16.30 uur. Wat een heerlijke dag was dit. Het werd een uurtje later want het parkoers bleek net zo zwaar als het eerste gedeelte. En weer was dat lieflijke riviertje de Ourthe de boosdoener. Het was klimmen en dalen over nauwelijks zichtbare singletracks. Je benen laten geselen door bramenstruiken en brandnetels. Uitkijken dat je niet vast kwam te zitten in het moeras. Klauteren over manshoge keien. Weggetjes inslaan en weer terugkeren omdat ze doodliepen in de rivier.

Als klap op de vuurpijl schoot het in mijn rug. Bij een grote kei ontstond een opstopping omdat er een paar lopers er niet over konden. Ik wilde ze stoer omhoog trekken maar dat liep dus niet helemaal goed af. Gelukkig had ik nog wat pijnstillers. Na een omweggetje met een lange steile klim, kwamen we voor de allerlaatste keer bij dat riviertje waarvan ik de naam nog nauwelijks op papier kan krijgen. Een bijna loodrechte wand moest ons ervan bevrijden. Nog 2 kilometer en warempel, nog steeds droegen mijn mijn benen me bijna moeiteloos naar boven. Bij de finish stond Martijn doodleuk aan een biertje te lurken. Alsof hij na een avondje chillen nog een afzakkertje nam. Ook hij had deze monstertocht uitstekend overleefd.

Na een paar Kerel-biertjes en een lekkere barbecue was het tijd om naar huis te gaan. Dat ik onderweg achter het stuur een paar keer bijna in slaap viel en dat we bij Luik in een mega-file terechtkwamen, daar zal ik het maar niet over hebben. Beste San Ne en andere reaguurders. Ik hoop dat ik mijn tekortkomingen van vorige week een beetje heb goedgemaakt. Het glas is bij mij bijna altijd half vol!

Tot slot Pieters gedicht. Dit keer een zogenaamd calligramme. Omdat het voor mij moeilijk is om het calligramme hier in de juiste vorm te plaatsen een foto. Sorry, anders lukt het niet.

Rondje Oosterschelde

Ooit had ik een chef die regelmatig van mening kon veranderen. Ik had het daar wel eens moeilijk mee, maar de man in kwestie absoluut niet. Hij vond het wel stoer van zichzelf dat hij de ene dag A zei en de volgende dag B. ‘Waar staat geschreven dat ik consequent moet zijn’, schetterde hij regelmatig door de kantoorruimte. Toen ik zijn gedraai een keer echt beu was, schreef ik een briefje met de tekst JE MOET CONSEQUENT ZIJN. Lang duurde het niet voordat ik het mijn chef kon overhandigen. U begrijpt, daar had hij niet van terug. Nu ik (nog) wat meer levenswijsheid heb, betreur ik mijn gedrag van toen wel eens. Wat is er immers makkelijker dan, als het je uitkomt, iets tegengestelds te beweren dan je niet veel eerder hebt gedaan?OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Lees verder Rondje Oosterschelde